Ram - het zonneteken van 20 maart tot 18 april

De Ram is te herkennen aan de twee sterren die zijn beide horens markeren. In de nabije omgeving zijn geen heldere sterren. Onder gunstige omstandigheden blijkt dat er rechtsonder de zwakkere hoornster een sterrertje staat. Zie je dit groepje van drie, dan heb je je ogen gericht op de horens van de Ram. De sterren die zijn lijf markeren zijn moeilijk te vinden. De Ram wordt liggend afgebeeld.

Bij het opkomen staan de beide horens naast elkaar. De Ram kijkt omlaag, naar de horizon. Bij het dalen staan de horens boven elkaar en blikt de Ram terug naar de hemel. De kop van de Ram staan ver boven de zonneweg; de planeten trekken op grote afstand (ongeveer een handbreedte) onderlangs aan de horens voorbij.

De Ram staat tussen de Vissen en de Plejaden, het opvallend groepje sterren in de Stier, zie de kaart. Rechts van hem is het lichtzwakke gebied met de 'waterige beelden' Vissen, Waterman en Walvis. Links van hem zijn de fonkelende sterren van de Stier, Tweelingen, Orion enz. Daar is zijn kop naar gericht.
 

Een ram heeft horens die naar achteren en omlaag zijn gedraaid. De substantie is een verharde, verhoornde huid. De horens groeien met de schedel mee. Van jaar tot jaar komt er een laag hoorn bij en de binnenholte wordt groter. Bij de naar binnen gedraaide stand van de Ram-horens hoort als het ware een ingetogen blik. Vergelijk zijn horens met die van een stier.
 

Er bestaan geen Babylonische afbeeldingen van de Ram. Op die plek aan de hemel stond bij hen een loonwerker. Tijdens het hoogtepunt van de Babylonische cultuur werd de loonwerker in het begin van de lente aan de ochtendhemel zichtbaar. Dan was er op de akkers weer werk voor hen. Het sterrenbeeld de Ram heeft een Egyptische oorsprong. De Egyptenaren noemenden al hun sterren Ram. Ram was tevens de naam voor de ziel, voor de nachtgestalte van de zon.

De Egyptenaren kenden 72 verschijningsvormen van de zon. De nachtgestalte van de zon was een mensengestalte met een ramskop. In de tempel van Dendera (Romeinse tijd) heeft de Ram op de ene afbeelding de kop aan de rechter kant, op de andere afbeelding aan de linker kant. De Egyptische Ram kijkt achteruit, evenzo de Griekse.

De Dierenriem werd in 431 v. Chr. door de Griek Euktemon in twaalf bijna even grote tekens verdeeld. De jaarlijkse zonnebeweging, het stijgen en het dalen van de dagelijkse hemelboog, werd gebruikt om de tekens Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft enz. een duidelijk omschreven, vaste plek te geven. Op de eerste lentedag trad de zon binnen in het Dierenriemteken Ram, op de eerste zomerdag in de Kreeft, op de eerste herfstdag in de Weegschaal en op de eerste winterdag in de Steenbok. De zon was ongeveer een maand in elke Dierenriemteken. De Griekse Dierenriem begon met het sterrenbeeld Ram.

In de periode dat de 'ontdekker van de twaalf Dierenriemtekens' leefde, stond de zon in de eerste lentemaand tussen de sterren van de Ram. Dat is nu echter niet meer zo. Eeuwen later zou ontdekt worden dat de sterrenbeelden toch niet altijd exact dezelfde hemelbogen doorlopen. Wat de zon elk jaar doet, van de winter- tot de zomerzonnenwende steeds noordelijker opkomen en hogere, langere hemelbogen doorlopen en vervolgens een half jaar steeds lagere en kortere, doen de sterrenbeelden van de Dierenriem in een zeer lang tijdsbestek (ongeveer 25.920 jaar). De Ram doorloopt nu een hogere hemelboog dan duizenden jaren terug.

Tegenwoordig staat de zon op de eerste lentedag nog bij de sterren van de Vissen en komt de zon pas op 18 april in het gebied van de Ram. De Ram is een relatief klein sterrenbeeld. De zon doorschrijdt de Ram binnen een maand en komt op 14 mei in de Stier. Het lentepunt, de plaats van de zon tussen de sterren van een Dierenriembeeld op de eerste lentedag, heet nog steeds het Rampunt, maar bevindt zich sinds 100 v. Chr. in de Vissen (lees meer hierover bij de Vissen). Vanaf ongeveer 2500 na Chr. zal de zon op de eerste lentedag in het sterrenbeeld Waterman staan (Waterman-tijdperk).

Toch heeft de indeling van Euktemon ook nu nog een zin. De zon staat in de eerste lentemaand in het teken Ram, dit houdt in dat de dagen nu langer zijn geworden dan de nachten, de lichte tijd van het jaar begint. De donkere seizoenen zijn voorbij, nu komen de lichte seizoenen en het nieuwe leven begint. De werking van de zon heeft, nu hij in de eerste lente-maand deze stijgende hemelbogen doorloopt, als het ware Ram-kwaliteiten, ook al staat hij tussen de sterren van de Vissen.
 

De Griekse mythologie vertelt over een gevleugelde ram met een vel van zuiver goud. Deze ram liet zijn gouden vacht op aarde achter, toen Zeus hem een plaats aan de hemel gaf. Vandaar dat we wat moeite moeten doen de hemelse Ram te vinden.

De twee kinderen van koning Athamas en de wolkengodin Nephele waren door geniepige listen van hun stiefmoeder veroordeeld tot het offeraltaar. Toen de vader het slachtmes ophief, kwam er een grote, gevleugelde ram, wiens vel uit puur goud bestond. Deze had van de wolkenmoeder de opdracht gekregen hun zoon Phrixos en hun dochter Helle mee te nemen naar een ver land. Onderweg, boven de smalle zee-engte die Europa van AziŽ scheidde, keek het meisje Helle (Grieks voor licht) naar beneden; ze werd duizelig en viel in het water. Sindsdien heet dit water de Hellespont. De jongen Phrixos (Grieks voor regen) kreeg in Colchis in Klein-AziŽ aan de Zwarte Zee een gastvrije ontvangst bij koning Aietes.

Phrixos offerde de gevleugelde ram uit dankbaarheid voor zijn redding aan Zeus. Alvorens dit geschiedde, maakte de ram zich los uit zijn gouden vlies. Deze vacht werd opgehangen in een eikenbos dat aan Ares was gewijd. Een draak die nooit sliep, bewaakte het Gouden Vel. Later brachten de Argonauten dit Gulden Vlies naar Griekenland.

 

© Liesbeth Bisterbosch - Stichting Een Klaar Zicht - AntroVista