12. Het ontstaan van de natuurrijken

Voor zover mogelijk heb ik aan de hand van feiten in de natuur, in de ruimste zin van het woord, een schema opgesteld. Dit schema leidde tot het opstellen van een aantal hypothesen, die tot doel hadden aan de compositie van het geheel een beter inzicht te schenken dan voordien mogelijk geweest was.

Dit uit hypothesen samengestelde schema vult om zo te zeggen vanzelfsprekend het 'hiaat' van onze zintuiglijke ervaringen op. Dit is gewoonlijk met alle (hypothetische) schema's het geval. Zodoende ontstond dat gedeelte in de tekeningen wat met stippellijnen is aangegeven. Een grote rol hierbij speelde de kleine driehoek, rechts onder, waar we met een directe ervaring van Bolk te maken kregen, die leidde tot een hypothese die op haar beurt tot het 'verlengde schema van Bolk' voerde.

Het verrassende voor mij is dat de onthullingen uit De wetenschap van de geheimen der ziel, totaal afgezien van een beoordeling van hun werkelijkheidswaarde, een volledige congruentie vertonen met het hypothetische deel van het schema. Daarom heb ik er zo'n waarde aan gehecht van Bolk uit te gaan. De hypothesen zijn een aanvulling op Bolks suggestie dat de mens 'van de aanvang' bedoeld was. Men zal daaruit kunnen begrijpen hoezeer ik de verschijning van Bolks werk waardeer.

Het tot nu toe behandelde is daarbij feitelijk een antwoord op de vraag hoe de natuurrijken gedacht kunnen worden ontstaan te zijn, namelijk door 'achterblijven' gedurende bepaalde stadia in de menselijke evolutie. Ik zal me nu met twee verdere vragen bezighouden en wel het waarom en waardoor van dit terugblijven.

Het antwoord op het waarom hangt met het antwoord op het hoe samen en brengt ons tevens weer in onmiddellijk contact met de vroeger opgeworpen raadsels ten aanzien van de evolutie in haar geheel. Daarom zou ik een bepaald punt van de schuin omlaag gaande lijn in ogenschouw willen nemen, namelijk dat gedeelte waar we te maken krijgen met de overgang van de plantenfase naar de dierenfase van de mens (bij het x-teken, afbeelding op de voorgaande bladzijde). Tijdens deze overgang condenseerde de dichtste 'substantie', waaruit de planeet met zijn toenmalig rijk bestond, van 'lucht' naar 'water'.

 

Hoe moeten we ons de plantenfase van de mens voorstellen, ja, kunnen we er ons Łberhaupt een voorstelling van vormen? Juist om een antwoord op die vraag te kunnen geven, is in het begin de beschrijving van de rijken op een dusdanige wijze gegeven, dat men zich van zo'n toestand althans enigszins een beeld kan vormen. Men moet dan niet in de eerste plaats aan het zichtbare 'ding' plant denken, maar aan de wijze waarop men de plant als compositie in haar totaliteit kan leren zien.

Gewoonlijk onderscheidt men aan de plant de wortels, het stengel-bladgedeelte en de bloem (voor de duidelijkheid zal ik me bezighouden met planten die bloemen dragen). Het loont de moeite zich eens af te vragen: hoe weet men dat een plant wortels heeft? Toch zeker alleen maar omdat men haar uit de aarde heeft getrokken. Is dit voor onze beschouwing echter wel correct? De plant groeit in de aarde, is in zoverre ťťn geheel met de aarde, zoals onze haren ťťn geheel met ons lichaam zijn; zoals ons lichaam bij onze haren hoort, zo hoort de aarde bij de plant. Dat men feitelijk beter zou kunnen zeggen bij het plantendek spreekt vanzelf.

In elk geval is hiermee aangegeven dat de plant aan de aarde 'vastzit'. Hoe zit het aan de andere kant? Zit de bloem niet net zo goed aan de zon vast? Het is duidelijk dat deze verbinding minder 'solide' is, maar zij is niet minder reŽel. Warmte en licht zijn fysieke begrippen en wij doen ons voorstellingsvermogen geen ogenblik geweld aan, als we zeggen dat de plant net zo goed met de zon als met de aarde is verbonden.

Is trouwens het middengebied, het bladgebied niet ook met haar omgeving, de lucht, verbonden? Hierop is reeds gewezen toen over de plant als over een volledig 'open' wezen gesproken werd. Ik heb daar nu enkele bijzonderheden aan toegevoegd. De uitdrukking 'open' leidde destijds tot de opmerking dat het leven aan de plant verschijnt.

Terugkomend op de vraag hoe de mens in de plantenfase was, zou men tenminste kunnen zeggen dat hij met de toenmalige aarde en de toenmalige zon in directe, open verbinding stond.* Er is ook al op gewezen dat een plant nooit kan waarnemen, maar dat de omgeving de plant 'lichamelijk' beÔnvloedt. Wat waarnemen feitelijk is, kunnen we bestuderen als we de overgang van de plantenfase naar de dieren fase nader onderzoeken.

* Het is begrijpelijk dat hier de vraag rijst hoe in elke van de genoemde fasen het toenmalig planeten stelsel gedacht moet worden. Daartoe moet naar de vermelde literatuur verwezen worden.

In de plantenfase was de mens een bij uitstek levend wezen; in de dierenfase kreeg hij pas het vermogen om waar te nemen. Misschien kan men nog beter van beschikken over 'gewaarwording' spreken. In nuchtere woorden gezegd: de mens kreeg een ziel. Wat verstaan we daaronder, wat is waarnemen?

Hierover is al eerder gesproken. Iets 'kunnen waarnemen' eist 'gescheiden zijn van'! Daarom konden we immers bij een dier van een innerlijk spreken. Er is toen ook opgemerkt dat dat afgescheiden zijn identiek is met het ontwikkelen van zintuigen. Zielenleven, waarnemen en het beschikken over zintuigen vormen een onverbrekelijke eenheid. - Men moet het begrip 'zintuig' dan wel ruimer nemen dan doorgaans in de fysiologie gebeurt.

Als de mens zijn omgeving pas kan gaan waarnemen na van haar door zintuiglijke indrukken gescheiden te worden, moeten we vragen: wat was die omgeving van de mens? Met een zekere onbevangenheid is het niet moeilijk - in samenhang met de ideeŽn die in dit boek ontwikkeld zijn - over 'scheppende wezens' te spreken.

In de plantenfase onderging de mens de activiteit van de scheppende wezens aan zijn wordende gestalte. In de dierenfase werd hij als zielenwezen door waarnemingsorganen van deze scheppende wezens gescheiden en begon deze dus waar te nemen. Dit is voor mij hetzelfde wat in beeldvorm beschreven wordt als de toestand in het 'paradijs': de mens leefde met de goden. In onze bijbelvertaling wordt weliswaar over God gesproken, maar het oorspronkelijke Elohim is een meervoudsvorm. Veel interessanter wordt dit als we ontdekken dat over de hele wereld in alle godsdiensten, dus ook in alle mythologieŽn, wanneer over de oertijd van het mensenwezen gesproken wordt, altijd van goden gerept wordt.* We zouden over het paradijsverhaal verder hoogstens nog mogen veronderstellen dat, als de mens een bewustzijn van zijn omgeving begon te krijgen, dit 'verkeer' - hoe zou men het anders kunnen zeggen - natuurlijk 'harmonisch' was. Vandaar het feit dat het woord 'paradijs' zo'n speciale bijklank heeft, die in dezelfde richting wijst.

* Is het niet interessant dat we, zo denkend, de verhouding van de mens tot de geestelijke wereld in drie perioden kunnen verdelen: een veelgodendom, een eendgodendom en een geen godendom?

 

Het begrip 'zondeval'

Wat toen gebeurde, of wat we ons kunnen voorstellen dat er gebeurde, is dat de mens onder een bepaalde invloed begon te komen. Deze kan ik niet beter weergeven dan met de woorden: een bepaalde geestelijke invloed benaderde de mens en voegde iets aan diens waarneming toe, die daardoor anders werd. Dit 'iets' was de begeerte en de naam van het wezen waarvan die invloed uitging, wordt Lucifer genoemd. We komen hier weer in contact met een concreet begrip uit het Oude Testament. De verbinding van waarnemen met begeerte wordt uitgedrukt in het woord 'zondeval'.

Hoewel het volgende voor sommigen geheel overbodig zal zijn, weet ik uit ervaring maar al te goed hoezeer in de laatste eeuw, speciaal met het opkomen van de moderne psychologie, veel mensen zijn gaan vragen: wat is zonde? Het ligt volkomen in de lijn van de ontwikkeling van het materialistische wereldbeeld dat men met het oude begrip 'zonde' heeft afgedaan. Het gevolg is dat men nog slechts spreekt over storende en niet-storende invloeden, bevredigende en niet-bevredigende invloeden, spannende en ontspannende invloeden enzovoort. Het begrip 'zonde' komt feitelijk overeen met storend zijn ten opzichte van de omgeving, ten opzichte van de eigen bevrediging. Men dient zich op de juiste manier te gedragen, vandaar het woord 'gedragsleer', 'Verhaltenswissenschaft', 'behaviorism'.

Volgens de in dit boek weergegeven opvatting is het begrip 'zonde' ook thans nog een even grote realiteit als het dat in de duizenden jaren die achter ons liggen geweest is. Het verschil is echter dat de mens destijds de beoordelingen van zijn daden van buitenaf vernam. In de Griekse mythologie wordt dit prachtig weergegeven, waar degene die zondigt zich naar het Orakel van Apollo moet begeven, om daar te horen welke straf hij voor zijn daden op zich moest nemen. Het was de tijd van het 'gij zult niet'. Bij het voortschrijden van de culturele ontwikkeling werd dit langzamerhand een 'dat hoort niet', wat gewoonlijk uitgedrukt wordt met het woord 'victorianisme'. In de tegenwoordige tijd zijn we dan zo ver gekomen om te zeggen: zonde bestaat niet.

Ik moet dit met klem tegenspreken. Zonde bestaat wel degelijk. Ik durf zelfs een nauwkeurige definitie te geven van wat 'zonde' betekent: 'Zonde is wat ik voor onjuist houd en tůch doe.' Dat kan ik alleen zelf uitmaken en geldt uitsluitend voor mij zelf.

Voor zover er in de bijbel van 'zondeval' gesproken wordt, zullen veel mensen zeggen: 'Ja, maar ik geloof niet aan gebeurtenissen die in de bijbel staan.'

Ik meen echter dat hier een misverstand dreigt. Iemand die gelooft dat dingen niet gebeurd zijn, gelooft. De enige logische houding is, mijns inziens, een dergelijk feit aan te horen en rustig af te wachten in hoeverre het al of niet bij kan dragen tot steun van onze inzichten. Er moet echter wel uitdrukkelijk gezegd worden dat het niet de bedoeling is mijn gedachtegang te laten leiden door mededelingen uit de bijbel, maar eerder de mededelingen uit de bijbel door mijn gedachtegang in een nieuw licht te gaan zien! Hierop heb ik reeds gewezen toen er over gesproken werd dat men naast de geologie, paleontologie en archeologie er eindelijk toe zou moeten komen ook de mythologie als een bron voor het winnen van inzichten in de evolutie van de mens te leren beschouwen. Dat men met deze materie anders zal moeten omgaan dan met gegevens die uit de wereld van het 'exacte' gewonnen worden, is duidelijk. Men zou daar tegenover kunnen stellen, dat de mythologie - waartoe ik ook het Oude Testament reken * - als het gebied van het 'inacte' zou kunnen worden aangesproken.

* Men stootte zich niet aan deze uitspraak. Zij behelst niet dat het Oude Testament 'slechts op mythologie' zou berusten, maar omgekeerd dat ik aan de mythologie dezelfde waarde toeken als aan het Oude Testament.

Het eerste gevolg van de 'luciferische invloed' wordt uitgedrukt in het bijbelverhaal waar God tegen Adam zegt - ik hoop dat men begrijpt dat ik dit alles als beeldspraak opvat, waarachter zich echter wel eens zeer grootse realiteiten zouden kunnen verbergen: 'Adam, waar zijt gij?' Ik meen dat het niet juist zou zijn (wat van religieuze zijde zo vaak gebeurt) om te zeggen: 'Maar God wist natuurlijk wel waar hij was!' Veel meer betekenis heeft het voor mij hier een aanduiding te zien van het feit dat het menselijke bewustzijn zich van zijn oorspronkelijke verbinding met de scheppende wereld begon af te zonderen.

Letten we op de verhalen uit de mythologie, dan horen we over een 'godenschemering'. Letten we op de verhalen uit de archeologie, dan krijgen we met het feit te maken dat ongeveer 3000 jaar voor Christus over de hele wereld het schrift begon te verschijnen, naast grote bouwwerken en naast de eerste aanduidingen van kunstnijverheid. We doen er goed aan deze gebeurtenissen in verband te zien met een essentiŽle verandering in het menselijke bewustzijn, die met het genoemde begrip 'godenschemering' uit de mythologie samengebracht kan worden. Ik hoop dat het duidelijk is dat ik een dergelijke tijdsaanduiding echter volstrekt niet beschouw als identiek met de overgang van de plantenfase naar de dierenfase in de menselijke evolutie, maar slechts dat ze een latere projectie is van hetgeen reeds onvoorstelbaar lange lijden geleden in principe zijn begin gevonden heeft.

Adam verdween voor 'het oog van de scheppende wereld' - voor zover hij een verder innerlijk leven ging ontwikkelen - maar tegelijkertijd begon uit dat innerlijk leven de vroegere gewaarwording van de scheppende wereld te verdwijnen. Het is niet moeilijk in te zien dat dit mede samenhangt met een verandering in het karakter van de zintuigen.

Vele mensen zullen zeggen als zij over een scheppende wereld, als zij over goden horen, 'waarom zien we die dan niet?' 'Goden' waren inderdaad niet waarneembaar met onze tegenwoordige zintuigen. Er is reeds over gesproken dat het opnieuw waarnemen van de scheppende wereld berust op het ontwikkelen van andere zintuigorganen. Het vroegere waarnemen berustte eveneens op het bezit van andere zintuigen, organen die verdwenen zijn. Zelfs dit wordt in Genesis met weinig woorden aangegeven: pas toen Adam uit het paradijs verdreven was, werden zijn ogen geopend.

Dit wil dus zeggen dat de zin 'Adam, waar zijt gij?' zowel als het begrip 'godenschemering', samen met alles wat er verder te berde gebracht is, niet gescheiden kan worden van het feit dat ons tegenwoordige bewustzijn, maar ook onze tegenwoordige zintuigen begonnen te ontstaan.

Hiermee wordt een verband geschapen tussen het waarnemen van onze tegenwoordige zintuigen en de begeerte. Voor vele mensen is dit laatste een belast woord. Men neigt er - van bepaalde religieuze zijde - toe te zeggen, dat een mens zijn begeerten, die immers met 'zonde' samenhangen, dient te overwinnen, uit te roeien. Ik zou hierop willen antwoorden dat het waarnemen wat we nķ hebben, zonder begeerten - in de ruimste zin van het woord - ondenkbaar is, evenals begeerten zonder waarneming ondenkbaar zijn. Lekker eten is zeker een begeerte, evenals een seksuele bevrediging dat is, maar het lezen van een mooi boek, het horen van een concert of van een preek zijn evenzeer met begeerten, dat wil zeggen met 'driften' verbonden.

Zoals begeerten dus nooit zonder onze tegenwoordige zintuiglijke waarnemingen kunnen bestaan, kennen wij ook geen zintuiglijke indrukken zonder begeerten. Het is misschien goed nu al op te merken dat een oplossing van dit dilemma gevonden kan worden in het feit, dat de mens in staat is zijn driftleven te richten, waardoor hij tegenover aardedrift geestdrift kan ontwikkelen.

 

Het ontstaan van het dierenrijk

De verbinding van de begeerte met het waarnemen (waarover bij het begrip zondeval is gesproken) bracht een zeer speciaal gevaar met zich mee. Ik kan dit het beste weergeven met de volgende illustratie.

Laten we ons eens voorstellen dat een aantal kinderen voor een winkeletalage staat in de sinterklaastijd. Wat doen ze, wat hoort men? Ze kijken naar de dingen die uitgestald zijn en geven uitdrukking aan hun verlangens: 'Kijk daar eens heen, o joh, moet je dat zien, nee dat, nee dat!' Het kan niet op. Hun ogen puilen haast uit hun kassen; we plegen wel eens te zeggen: ze krijgen ogen op steeltjes.

Nu is dit slechts een wijze van uitdrukken. Iedereen weet dat kinderen geen ogen op steeltjes krijgen. In de periode van de evolutie waar ik het nu over heb, zou dat gevaar echter wel bestaan hebben. De menselijke lichamelijke constitutie was nog zů week, plastisch beweeglijk, dat men (om bij de vergelijking te blijven) inderdaad ogen op steeltjes gekregen zou hebben. Maar we hebben niet alleen met ogen te maken, maar met een hele reeks organen: met neus, mond, oren, huid enzovoort. Het gevaar was dat de mens niet alleen ogen op steeltjes ontwikkeld zou hebben, maar ook 'oren op steeltjes', een 'neus op steeltjes', een 'bek op steeltjes' enzovoort. Wanneer men zich dit met enige fantasie plastisch voorstelt, kan men plotseling tot de bijna verbijsterende conclusie komen: dat is wat we in het dierenrijk zien. Zoals slakken ogen op steeltjes hebben, zo heeft de krokodil een 'bek op steeltjes', de olifant een 'neus op steeltjes' en tal van dieren 'oren op steeltjes'. Men ziet het dierenrijk plotseling met heel andere ogen.

Een zeker gevoel van tragiek kan ons bekruipen. Waarom? - Met deze opmerking wil ik duidelijk laten merken dat datgene wat met organen op steeltjes is weergegeven, een deformatie zou betekenen van de oorspronkelijk bedoelde mensengestalte. De evolutie van de mens bestond uit het steeds verder verkrijgen van nieuwe zintuigen voor de aardse omgeving, waarvoor hij een nieuw bewustzijn ging ontwikkelen. Even zovele malen dreigde er daardoor een deformatie op te treden.

We kunnen het dierenrijk nu op een geheel nieuwe manier gaan zien en begrijpen. Het vertoont immers het beeld van een evolutie, die het dier zelf echter niet doormaakt. Slechts de mens is geŽvolueerd! Daarom kunnen we aan de dieren, zoals ze in de loop van de aardeontwikkeling zijn verschenen, als het ware aflezen wat zich in de menselijke ontwikkeling heeft afgespeeld. Ik heb de dierenreeks

gekarakteriseerd als een tegenstelling van open naar dicht, van uiterlijk naar innerlijk, van afhankelijk naar onafhankelijk, en kan deze begrippen nu gebruiken om een verhouding te krijgen tot de ontwikkeling die het mensenwezen zelf heeft doorgemaakt en die in De wetenschap van de geheimen der ziel verder beschreven wordt.

Hoewel nog meer gezegd zal worden over het verschil tussen de dierengestalte in haar oorspronkelijke gedaante en hetgeen we nu op aarde als dierenrijk aantreffen, kan toch reeds uitgesproken worden dat het begrijpelijk wordt dat de hoogste dieren (die dus volgens het diagram het laatst werden afgesplitst) het meest mensachtig zijn. Ik mag hier even herinneren aan de indeling van het dierenrijk in plant-dieren, dier-dieren en mens-dieren.

Toen ik trachtte het dier zelf te karakteriseren heb ik de eenzijdigheid van het dierenwezen zoveel mogelijk aangetoond. Als ik de vraag van het waarom van het ontstaan van het dierenrijk weer opneem, kunnen we voelen dat hier het ogenblik is om daarop een antwoord te geven. Dit moet luiden: het dier is de belichaming van een overmaat aan begeerte, die anders een belemmering voor de menselijke evolutie geworden zou zijn. Daarmee wordt een nieuw licht geworpen op de uitspraak: dieren zijn begeerten, de mens heeft begeerten.

Deze uitdrukkingen wijzen er echter op dat ook de mens de begeerte nog in zich heeft en dat de mens door het ontstaan van het dierenrijk slechts bevrijd wordt van een overmaat eraan, waardoor hij niet in staat geweest zou zijn verder te evolueren.

Waardoor zou de mens zich dan niet verder hebben kunnen ontwikkelen? Om deze vraag te beantwoorden moeten we ons allereerst weer bezinnen op het verschil tussen mens en dier. Dat de mens een wezen is dat zich opricht, dat spreekt en denkt, is niet als een mening, als een opvatting bedoeld. Voor de beoordeling van het feit dat het dierenlichaam ten opzichte van de mensenvorm een deformatie betekent, is slechts een onbevangen blik nodig. In de tegenwoordige tijd, waar het woord discriminatie zo'n grote betekenis heeft gekregen, hoort men tegenover de zo-even uitgesproken gedachte telkens weer zeggen: wat verbeeld je je wel, hoe kom je er bij van het dier als van een deformatie te spreken? Op hetzelfde moment beginnen de emoties op te wellen, die principieel elk rustig beoordelen onmogelijk maken. Alsof dit woord deformatie ook maar iets met hel begrip diskwalificatie te maken zou hebben! De schoonheid van alles wat in het dierenrijk te zien is, wordt er geen ogenblik door aangetast, integendeel! We zullen zien dat de objectieve beoordeling van een aantal fenomenen zich tot een geheel laat samenvoegen dat de idee van de evolutie op een oneindig veel hoger plan verheft dan waar zij nu staat.

Ik hoop dat duidelijk is wat met het woord deformatie bedoeld is. Dat deze uitdrukking gebruikt wordt is niet te scheiden van het feit dat van de natuurrijken het dier het dichtst bij de mens staat. Niet voor niets pleegt men te zeggen: de mens is een dier. Juist de grote overeenkomst tussen mens en dier heeft geleid tot de meest verwoede pogingen om het verschil tussen mens en dier te nivelleren. Daarbij moet men wel blind worden voor alles wat als werkelijk menselijks in de mens leeft en onverbrekelijk verbonden is met het feit dat men een mens niet toestaat zich beestachtig te gedragen!

Want het is duidelijk: de mens heeft het dierlijke nog wel degelijk in zich. Hij uit dit ook voortdurend wanneer hij zijn medemens onder bepaalde omstandigheden op een speciale manier karakteriseert. Ik doel hier op de vele uitdrukkingen die hij hiervoor gebruikt. Deze uitdrukkingen zijn: aap, rund, hond, ezel, schaapskop, zwijn, varken, kat enzovoort; dit waren de zoogdieren. - Bij de vogels zijn eend, gans, papegaai, kip (zonder kop) en aasgier maar al te bekende termen. - Van de kruipende dieren wordt de slang (eventueel de adder in het gras) het meest gebruikt. De uitdrukking krokodillentranen is minder doorzichtig in dit opzicht. - Bij de amfibieŽn kennen we de uitdrukking: rare salamander, dikke pad, opgeblazen kikker en dergelijke. - Bij de vissen kan men horen: zo glad als een aal, zo stom als een vis, een haaibaai. - De insecten zijn tamelijk rijk vertegenwoordigd: spinnijdig, zo nijver als een bij, een leven als een luis op een zeer hoofd of een vlo in een wollen deken, 'leg niet te mieren'. - Bij de wormen vinden we iets dergelijks in de term 'zit niet zo te wurmen', als iemand met moeite en nood op onhandige wijze zit te prutsen. - Bij de weekdieren heeft men de uitdrukkingen: in zijn schulp kruipen, een slakkengang, een bloedzuiger (wanneer die tot de weekdieren gerekend wordt). - Het is te begrijpen dat bij de lagere dieren de termen wat minder specifiek worden, maar laten we het (mijns inziens) ergste Hollandse scheldwoord dat op dit gebied bestaat niet vergeten: kwal!

Is het niet opvallend dat men daarmee een groot deel van het dierenrijk aanspreekt, waardoor van even zovele diersoorten het verband met het dier in de mens nog eens wordt aangestipt?

Ik wil hier nog even terugkomen op een eerdere opmerking, waar gesproken werd over de mens als 'klein in een grote omgeving'. Daar werd toen opgemerkt dat dit weliswaar niet altijd geldt. Men lette maar eens op de uitdrukkingen: een grote boog om iemand heen moeten maken, lange tenen hebben, op grote voet leven, met de mond vol tanden staan.

Het wordt voor ons nu nog duidelijker, dat dieren zijn wat mensen hebben. Men zou dit met een wat humoristisch voorbeeld kunnen illustreren. Wanneer ik namelijk iemand voor een zwijn uitmaak, is het begrijpelijk dat hij zich hoogst beledigd zal voelen. Als ik echter 'zwijn' tegen een zwijn zou zeggen, zou het - als het kon spreken - antwoorden: 'Ja, wat is er?'

Het dier is dus van het begin af aan de aardeverdichting gevolgd. De mens is door een invloed van buitenaf daarvan teruggehouden. De woorden 'propulsie' en 'retardatie' worden aldus herleid tot een invloed van scheppende wezens. Men begrijpt dan ook dat Lamarck en Darwin met hun aanpassingstheorieŽn doordrongen waren van de raadselachtige eenheid van dier en omgeving. De vraag die zij echter uit de weg gaan is: hoe was het dier vůůr zijn aanpassing? Al eerder is daarover gesproken: het dier is van het begin af aan aangepast geweest, en wel volkomen. De veranderingen die men in de prehistorische vormen bestudeert, zijn antwoorden op veranderingen van de omgeving.

Daarmee kan echter nooit het ontstaan van een nieuwe diersoort verklaard worden. Men zou daartoe moeten begrijpen hoe er een nieuwe begeerte in een dier zou kunnen ontstaan! Dan zou de gedachte dat de diervorm daardoor een geheel andere zou moeten worden hand en voet krijgen.

Lamarck heeft dit mijns inziens gevoeld toen hij de inspanning van een dier om iets te bereiken als uitgangspunt van de evolutie nam. Van hem stamt het verhaal dat een mens, indien hij lang genoeg op een eenzaam eiland zou leven en er vandaan zou willen vliegen, tenslotte vleugels zou krijgen. Het 'hoe' blijft echter daarmee volledig duister.

Tenslotte wil ik nog even terugkomen op de beschrijving van de mensengestalte naast die van het dier, toen in verband met de overeind gaande houding van de mens ook over zijn vermogen tot spreken en denken geschreven werd. Er is toen zelfs gezegd dat de menselijke gestalte van een drievoudige aardegebondenheid bevrijd můťst worden om een instrument voor de geest te kunnen zijn. - Dit is ook de reden waarom alleen de mensen hun driften, zonder ze kwijt te raken, in een andere richting kunnen leiden. Het is goed hier nogmaals aardedrift en geestdrift tegenover elkaar te plaatsen!

De vraag ligt voor de hand: hoe was het dier, hoe moeten we het ons voorstellen toen het zich van het menselijke (d.w.z. van de schuine lijn van de menselijke evolutie) verwijderde? Niet voor niets staan in dat schema stippellijnen als begin van de neerdalende lijn.

Daar valt slechts van te zeggen dat dat zich in een medium heeft afgespeeld dat nooit enige 'afdrukken' na kan laten. De diervormen die we nu zien zijn daaruit na lange tijdperken ontstaan en hebben zich dan ook verregaand zelfstandig ontwikkeld. De mens heeft er dus nooit 'zů' uitgezien! Voor een begrip van de vorming van de tegenwoordige diervormen uit de oorspronkelijke eerste 'aftakkingen' kunnen de wetten van Lamarck en Darwin worden toegepast (zie ook hoofdstuk 7). In het hoofdstuk 'De twaalf diergroepen, scheppende fantasie in de natuur' kom ik hier nog op terug.

De derde vraag luidde: waardoor is het dier ontstaan? In De wetenschap van de geheimen der ziel wordt het scheppen van het dierenrijk beschreven als de daad van zeer speciale, scheppende wezens, die daarmee tevens de taak op zich genomen hebben het dierenrijk in stand te houden. De consequentie was dat deze wezens zich daarmee buiten de evolutie geplaatst hebben. Hier maken we voor het eerst kennis met een activiteit die zonder meer als 'offer' gekarakteriseerd mag worden. Het dierenrijk wordt daardoor tot een uitdrukking van een offer, dat door geestelijke wezens gebracht werd om de wordende mens in staat te stellen mens te worden. In deze laatste zin wordt met heel weinig woorden iets weergegeven dat op gebeurtenissen in de scheppende wereld duidt, die in De wetenschap van de geheimen der ziel vele bladzijden beslaat. Aan het eind van de bespreking van de feitelijke evolutie, als ook voor planten- en mineralenrijk overeenkomstige beelden zijn gevonden, zal hierop nog worden ingegaan.

Alvorens deze gedachtegang ten opzichte van de andere natuurrijken uit te werken, is het goed hier te trachten in te zien in hoeverre deze gedachten over het ontstaan van het dierenrijk in staat zijn de op bladzijde 122 geopperde problemen en vragen te kunnen beantwoorden.

1. Aan het schema van Bolk was al zonder meer af te lezen waarom de eerder ontstane dieren er nog steeds zijn, wat in overeenstemming is met de gedachte dat er geen evolutie in het dierenrijk zelf heeft plaatsgevonden.

2. Het wordt nu ook begrijpelijker dat, aangezien de hele dierwording (en ook de verdere evolutie) zich heeft afgespeeld in een materiŽle toestand die we als verdichting van lucht naar aarde hebben besproken, lucht-, water- en landdieren beschouwd kunnen worden als mogelijke getuigen van vroegere fasen van de aardeontwikkeling, dus in verband met deze materiŽle verdichting.

3. Dat het ontstaan van de prehistorische dieren in samenhang met het zich evoluerende mensen wezen gezien moet worden.

4. Het antwoord op de vraag van de oude dame kan thans als volgt luiden: 'God' heeft het 'verschrikkelijke' dierenrijk geschapen om de mens 'mens' te kunnen laten worden.

Ten aanzien van de (verguisde) grondwet van Haeckel, van de ontdekking van Blechschmidt en van de retardatietheorie van Bolk kunnen thans nog drie volgende punten worden toegevoegd:

5. Alles wat vůůr de prehistorische diervorm bestaan heeft, kan nimmer een materiŽle afdruk hebben nagelaten. Zelfs wat we thans als prehistorische vondsten kennen, treffen we in een hardere, materiŽle toestand aan dan die, waarin zij zich oorspronkelijk bevonden.

Het is dus mogelijk van elke diersoort drie perioden aan te geven: bijvoorbeeld van A Ė a" nog in de schoot van de menselijke evolutie zelf; van a" Ė a' als deel van de eigenlijke dierwording die nog geen afdruk kon nalaten; a' Ė a als prehistorische vorm.

6. In een zeer bijzonder licht verschijnt thans de conclusie van Blechschmidt, waarvan we mogen zeggen dat ze in volledige overeenstemming is met het gevonden schema: de menselijke lijn gaat van het begin naar het einde haar eigen weg. 'De mens was nooit een dier.'

7. Bij de retardatietheorie van Bolk werd de opmerking gemaakt dat Bolk twee dingen niet kon weten, namelijk hůť de evolutie zich had afgespeeld en wŠŠr het dierenrijk zijn propulsiviteit vandaan had. Wat dit hoe betreft, moet weer gewezen worden op het feit dat de evolutie zich in verdichtende materie heeft afgespeeld. We kunnen zelfs zeggen: toen de aarde werd zoals ze nu is, was de evolutie afgelopen!

De vraag naar het waarom over het ontstaan van het dierenrijk (waar Bolk geen antwoord op wist) wordt door het voorafgaande bevredigend beantwoord. Over het dierendrama, zoals dat op bladzijde 56 is genoemd, gaat het volgende hoofdstuk.

Over het tijdstip waarop de aarde werkelijk vast werd, dat wil zeggen dat de minerale toestand ontstond die bij de 'elementen' als aarde werd aangegeven zal gesproken worden in hoofdstuk 15 'Het raadsel van de materie'.

Ook is nu te verklaren waarom de dieren het beeld weergeven van

Het ontstaan van het plantenrijk

Het ligt voor de hand ons nu naar het plantenrijk te wenden. We zullen de vraag moeten stellen of hier ook iets dergelijks heeft plaatsgevonden, dat wil zeggen, heeft het scheppen van het plantenrijk op dezelfde manier iets van het wordende mensenwezen afgenomen als we dat bij het dierenrijk hebben gezien? Bij het dierenrijk ging het om een overmaat aan begeerte. We zouden ons kunnen afvragen of ook het plantenrijk ons van een zekere overmaat bevrijd heeft, die een verdere ontwikkeling in de weg gestaan zou hebben.

Omdat we hier niet meer met begeerten te maken hebben, ontmoeten we als we van het dier naar de plant gaan een totaal verschillende sfeer. Niet voor niets stond de opmerking van de oude dame in verband met het 'verschrikkelijke' dierenrijk. Voor planten- en mineralenrijk kan men natuurlijk een dergelijke term nimmer bezigen, althans niet in de zin zoals zij het bedoeld had. Het is echter niet zo moeilijk in het plantenrijk iets in een grote overmaat te vinden wat bij de mens slechts gereduceerd aanwezig is: dat is wat we kunnen omschrijven met het woord 'vitaliteit'.

Het is natuurlijk niet makkelijk in de tegenwoordige tijd een definitie hiervan te geven, maar fenomenen op dit gebied zijn er te kust en te keur. Het gaat hier namelijk om een lichamelijke vitaliteit, om een kracht tot ontplooiing van lichamelijk leven. Bij de vergelijking van de natuurrijken werd het plantenrijk beschreven als 'lichaam en leven'.

Wat is leven? Zoals het vrijwel onmogelijk was van ziel een definitie te geven, kunnen we dit van leven ook niet zonder meer. Verschijnselen om aan te duiden wat men met leven bedoelt zijn er te over; vooral als het in het lichamelijke gaat om een overmaat aan levenskracht, aan vitaliteit. We hoeven maar aan een vers gemaaid grasveld te denken. De intense, specifieke geur daarvan zal iedereen wel bekend zijn; maar ook dat zo'n gazon met onvoorstelbare snelheid weer begint te groeien. Iedereen die met planten omgaat weet dat het snoeien en snijden de plant er toe aanzet eerder meer dan minder groeikracht te ontwikkelen. Men zou de paradox kunnen uitspreken: het gras vraagt erom geknipt te worden om opnieuw te kunnen groeien.

Dit is een van de redenen waarom een plant, wat haar omvang betreft, aan heel andere wetten gehoorzaamt dan het dier. Een plant die leeft groeit, en een plant die groeit leeft. Daar waar een plant ophoudt te groeien in de bloem beginnen al andere wetten; de groene, vitale plant heeft altijd de tendens verder te groeien.

Bij dier en mens zien we duidelijk dat hun groei betrekkelijk beperkt is. Het is ook niet moeilijk te begrijpen dat dit in verband staat met een nieuw element, dat we ziel hebben genoemd, hier zijn intrede doet. We zouden zelfs kunnen zeggen: zielenleven kan zich slechts daar openbaren, waar de vitaliteit binnen zekere grenzen blijft.

Het is overigens interessant ook hier weer te denken aan de indeling van het dierenrijk in plant-dieren, dier-dieren en mens-dieren. Bij de planten vinden we een grote 'openheid', een volledig verbonden zijn met de omgeving. We hoeven slechts te denken aan het feit dat mineralen, water, lucht, licht en warmte van buitenaf door de plant worden opgenomen of op haar kunnen inwerken via haar oppervlakte. Daardoor begrijpen we zonder meer dat een plant zo aan de jaargetijden is gebonden. Bij de plant-dieren vonden we als karakteristiek: open, uiterlijk en afhankelijk. Het is duidelijk dat de planten deze eigenschappen in nog veel grotere mate bezitten dan de lagere dieren, waar we ze ook al aantroffen.

Tevens vonden we bij de plant-dieren een eigenschap die direct met de vitaliteit van de planten te vergelijken is: hun bijzonder sterke voortplantingskracht. Deze staat echter in nauw verband met een vitaliteit die nog aan het plantenrijk doet denken en die zich vertoont in alles wat we aan regeneratievermogen, speciaal bij de lagere dieren, aantreffen.

 

Aldus is de mogelijkheid gevonden voor het ontstaan van het plantenrijk een vergelijkbare achtergrond te vinden, als we dat bij het dierenrijk gevonden hebben: het plantenrijk is de belichaming van de overmaat aan vitaliteit, die een verdere evolutie in de weg gestaan zou hebben. Vanzelfsprekend heeft deze afsplitsing zich afgespeeld in een nog 'ijlere' fase dan dit bij het ontstaan van het dierenrijk het geval was.

Ook voor het plantenrijk geldt natuurlijk dat we, wat haar schepping betreft, met een deel van de geestelijke wereld te maken hebben, dat dit rijk geschapen heeft en ook verder in stand moet houden. We komen weer hetzelfde tegen als bij het dier: wezens hebben daarmee de mogelijkheid tot evolueren geofferd om de mens in staat te stellen zich verder te ontwikkelen.

Zoals we bij het afsluiten van de bespreking van het dierenrijk hebben ontdekt dat in het menselijke zielenleven het dierlijke ook nog steeds aanwezig is - wat in de verschillende scheldwoorden leeft - zo kunnen we iets dergelijks in verband met het ontstaan van het plantenrijk ontdekken. We hebben gezien dat dit rijk de belichaming van een overmaat aan vitaliteit is en zullen bij de mens eerst het overeenkomstige gebied moeten opzoeken. Dit omvat alles wat men met het 'levende lichaam van de mens' pleegt aan te duiden. Alles wat met de menselijke vorm, stofwisseling enzovoort samenhangt, is verwant met de planten. Er bestaat een geheimzinnig verband tussen de totale mensengestalte en de totale plantenvorm. Ik wil mij tot een eenvoudige beschrijving beperken en houd mij hierbij weer aan een plant die bloemen draagt, dus de meest volkomen plantenvorm.

Wanneer we ons de drie gedeelten van een plant voor de geest halen, zien we dat het wortelgebied 'afgerond', rustig en 'koel' is, het bloemgebied stralend, veranderlijk en met warmte (de zon) verbonden is. Het stengelmiddengebied van de plant vertoont een opvallende bouw door de ritmische herhaling van de blad vorm langs de stengel.

Letten we nu eens op de menselijke gestalte. Aan de ene kant vinden we het hoofd 'afgerond', rustig en 'koel', aan de andere kant het gebied van de stofwisseling en de ledematen stralend, beweeglijk en warm, en in het midden een bouw die voor alles gekarakteriseerd is door de wervelkolom met de ribben met hun ritmische vormherhaling. Met enige fantasie is de overeenkomst frappant.

Voor zover we met het levende lichaam te maken hebben, zien we iets dergelijks bijvoorbeeld bij de bouw van de longen. Wanneer we deze in haar totaliteit van boven naar beneden bekijken, krijgen we: luchtpijp, wijde bronchiŽn, steeds nauwer wordende bronchiŽn en tenslotte de longblaasjes.

 

Schematisch beeld van een plant

Dit geheel wordt ook bronchiaalboom genoemd. De vergelijking met een boom kan zo ver doorgetrokken worden, dat de reeks luchtpijp, wijde bronchiŽn, nauwe bronchiŽn, longblaasjes, geplaatst kan worden naast: stam, dikke takken, dunne takken, blaadjes. De boom in de natuur is een materiŽle boom in de lucht, de longboom, de bronchiaalboom is een 'luchtboom in de materie'.

De bronchiaalboom is voornamelijk rood, de boom in de natuur is voornamelijk groen. In de longblaasjes wordt zuurstof ingeademd en koolzuur uitgeademd. Op de bladeren van de boom wordt zuurstof uitgeademd en koolzuur ingeademd. Ik meen dat deze vergelijking, hoe verrassend ook, volstrekt niet geforceerd is. Ja, bronchus betekent zelfs tak.

Maar ook op andere plaatsen vinden we plantaardig aandoende vormen, bijvoorbeeld in de bouw van de nieren met schors en merg, Terwijl ook uitdrukkingen als zaad, vrucht, bevruchting en transplantatie een duidelijke taal spreken. - En is het niet interessant dat zelfs in kleine organen als onze tanden de plantenstructuur haast helemaal 'verstopt' nog terug te vinden is in wortel en kroon?

Zoals we in de menselijke ziel eigenschappen hebben gevonden die met dierennamen worden aangeduid, zo kunnen we nu kijken of er in de mens iets te vinden is dat op overeenkomstige wijze op het plantenrijk slaat. Dit komen we tegen in uitdrukkingen als: perzikhuidje, appelwangetjes, kersenmond, bloemkooloren, aardappelneus, peenhaar en bonenstaak.

Het ontstaan van het mineralenrijk

Vanzelfsprekend gaan we nu naar het mineralenrijk. We moeten daarbij niet uit het oog verliezen dat de hele evolutie, voor zover we ons daar een voorstelling van kunnen maken, zich weliswaar heeft afgespeeld in de 'schoot van geestelijke wezens', maar ook altijd in het gebied van de materie, te beginnen met warmte. Deze materie vertoonde van het begin af de tendens tot verdichting, tot condensatie. Dit is uitgedrukt in de reeks: warmte, lucht, water, aarde.

Zonder op finesses in te gaan die samenhangen met hedendaagse opvattingen over de structuur van de materie, kunnen we inzien dat de 'materialiteit' van de mineralen een oneindig veel dichtere is dan die van planten, dieren en mensen.

De vitaliteit die bij het plantenrijk is beschreven, is slechts mogelijk bij een bepaalde plasticiteit, plooibaarheid van het weefsel. Men voelt hoe moeilijk het is voor deze begrippen in onze taal adequate termen te vinden.

De consequentie van deze gedachte zou zijn dat het mineralenrijk zelf een beeld is van een neiging tot verdichting, verharding, die aan het wezen van de materie blijkbaar eigen is en als zodanig niet geschikt was om het element leven in zich op te kunnen nemen. In andere termen uitgedrukt: door het ontstaan van het mineralenrijk is voor de wordende mens de opname van het leven mogelijk geworden.

Het mineralenrijk heeft het evoluerende mensenwezen bevrijd van een te snelle tendens tot verdichting. Dat we ook hier weer met geestelijke wezens te maken hebben die een offer brachten, is een vanzelfsprekende consequentie.

De opmerkingen over het ontstaan van planten- en mineralenrijk gaan sterker tot ons spreken, als we terugdenken aan de betekenis die planten- en mineralenrijk voor ons dagelijks leven hebben. In het eerste hoofdstuk werd gezegd dat het plantenrijk de bron voor ons leven betekent en het mineralenrijk het rijk is waardoor de mens zich op aarde kan handhaven. Ik meen dat het niet moeilijk is een en ander met elkaar in verband te brengen.

Zoals voor dieren- en plantenrijk in het zielenleven en het levende lichaam van de mens eigenschappen zijn gevonden die ons herinneren aan dieren- en planteneigenschappen, kunnen we tenslotte iets dergelijks ook trachten te doen ten aanzien van het mineralenrijk. Hier kan dan gewezen worden op uitdrukkingen als: een rotsvast vertrouwen, een geloof dat bergen verzet, een ijzeren wil, een stalen blik, een hart van goud. Ook negatieve uitdrukkingen mogen niet verwaarloosd worden: met loden schoenen, een hart van graniet enzovoort. We kunnen daarbij denken aan de rol die het beschikken over een lichaam dat een skelet bevat in het zelfbewustzijn van de mens speelt.

Wie het voorafgaande aandachtig heeft gelezen, zal waarschijnlijk de opmerking maken dat ik mij bij het opstellen van het (hypothetische) voorgaande schema reeds heb laten leiden door de gedachten die nu pas zijn uitgesproken. Dit is inderdaad waar, maar hoe komt een mens aan zijn hypothesen, gedachten of wat dan ook? Zij ontstaan in de loop van zijn leven, in verband met ervaringen op allerlei gebieden. Dat ik tot deze ervaringen ook de inhoud van de antroposofie reken, voor zover ik die ken, spreekt vanzelf. Ik heb slechts de plicht voor ťťn ding te waken: dat ik nergens een opmerking van Rudolf Steiner als een dogmatisch uitgangspunt mag nemen. Wanneer ik in het begin van dit boek de evolutionisten en creationisten verwijt dogmatisch te zijn, mag ik niet in dezelfde fout vervallen.

Men moet proberen mededelingen, zoals hier gedaan zijn uit De wetenschap van de geheimen der ziel, objectief te beschouwen en zich afvragen of ze ons iets zeggen (een logisch geheel zijn), of ze ons iets doen (vreugde bereiden) en of we er iets mee kunnen beginnen (er mee kunnen omgaan). We kunnen dan onbevangen vragen wat deze mededelingen betekenen in de problematiek waarin we verzeild zijn geraakt.

Men zal merken van hoe groot belang het punt is, dat ik even aanstipte toen ik uitsprak dat de oorsprong van een handleiding of gebeurtenis nooit zekerder benaderd kan worden dan wanneer we van een wezen, dat evenals de mens over zelfkennis beschikt, ervaren dat het iets zelf gedaan heeft. Hoe fantastisch deze gedachte als men haar voor het eerst hoort ook lijken mag, ik moet de lezer toch verzoeken haar op haar intrinsieke waarde te onderzoeken. Dat geestelijke wezens met elkaar converseren en geestelijke werkelijkheden uitwisselen, is een dagelijkse ervaring, namelijk wanneer twee mensen met elkaar spreken!

Het 'offer' van de gezamenlijke rijken

De traditionele evolutiegedachte in het dierenrijk steunt in de eerste plaats op de indruk van de reeks der diersoorten, zoals die in de loop der tijden verschenen zijn en die als 'lager' en 'hoger' zijn gekarakteriseerd. Dit is dan ook het gebied waarop de evolutionisten zich met alle kracht geworpen hebben, om te trachten plausibel te maken hoe een diersoort zich in een 'hogere' veranderd zou kunnen hebben.

We kennen ook lagere en hogere planten, vroegere en latere. De reeks van paddestoelen via algen, korstmossen, mossen, varens, paardenstaarten, naaldbomen (naaktzadigen), een- en tweezaadlobbigen (bedektzadigen), waarbij pas de echte bloemen verschijnen, geeft in een prachtig beeld weer hoe een lagere plant tot een hogere geworden zou zijn. Met dit punt hebben zich maar zeer weinig botanici beziggehouden, maar het blijft natuurlijk een vraag.

Vanzelfsprekend valt ook deze vraag weg bij de beschreven oplossing van het evolutievraagstuk. We moeten ons echter voorstellen dat de mens ook in zijn plantenfase een evolutie heeft doorgemaakt, die haar weerspiegeling vindt in de reeks van lagere naar hogere planten.

Eerder heb ik me al afgevraagd of zelfs in de minerale fase een dergelijk principe terug te vinden zou zijn. In dit gebied zou men dan niet naar (lagere en hogere) vormen moeten zoeken, zoals bij de planten en dieren, maar naar eigenschappen. Vragen we naar de ontwikkeling van het mineralenrijk, dan kunnen we niet zonder meer over begrippen als 'lager' en 'hoger' gaan spreken. Het is duidelijk dat de voortschrijdende evolutie van de mens gepaard ging met een verdichting op het gebied van de materie: van warmte naar lucht, water en aarde. De materie werd daarbij steeds meer 'verlaten'. Ook dit kan slechts als een activiteit van 'wezens' worden opgevat.

Hiermee is het beeld van wat zich bij het ontstaan van de rijken in de menselijke evolutie heeft afgespeeld in ruwe trekken weergegeven. Driemaal een activiteit van geestelijke wezens, een activiteit die tevens een offer was. Dit is een antwoord op de vraag waardůůr de evolutie zich heeft kunnen afspelen. Aan de activiteit waar hier over gerept wordt, worden we nog enigszins herinnerd als we terugdenken aan wat zich voor ons besef nu nog afspeelt in mineraal, plant en dier en waar in het begin van dit boek over gesproken is.

We kunnen het geheel nog eenmaal op de volgende manier weergeven:

Door het ontstaan van het mineralenrijk kon de zich ontwikkelende mens van de minerale fase naar de plantenfase overgaan.

Het ontstaan van het plantenrijk maakte het mogelijk dat de mens na de plantenfase de dierenfase kon binnentreden.

Door het ontstaan van het dierenrijk werd het voor de mens mogelijk na zijn dierenfase mens te worden.

Om misverstanden te voorkomen moet ik hier een opmerking maken. Er is steeds met een zekere vanzelfsprekendheid over 'rijken' gesproken. Waar het echter om mensen ging, was het de bedoeling aan individualiteiten te denken. Hierop is in hoofdstuk 6, 'De mens naast het dier' reeds uitdrukkelijk gewezen en is tevens gezegd dat het onjuist zou zijn te denken dat - als er over dieren en mensen gesproken wordt - men een mens met een dier zou kunnen vergelijken. Dat men dit bij de hogere dieren nogal eens doet, is bekend en ook begrijpelijk, maar de visie die in dit boek op het dierenrijk is ontwikkeld, laat duidelijk merken dat hier op geheel andere wijze over gedacht wordt.

Misschien is het goed nog eens terug te komen op de reeks mineraal - plant - dier - mens, in verband met respectievelijk lichaam; lichaam en leven; lichaam, leven en ziel; en lichaam, leven, ziel en geest. We moeten daar nu aan toevoegen: hoewel de mens zich van het dier onderscheidt door zijn geest, wil dit niet zeggen dat de dieren geen geest zouden hoeven te hebben. Als dieren echter een 'geest' hebben, verblijft deze in de scheppende wereld zelf; hij is niet 'hier'.

In De wetenschap van de geheimen der ziel wordt gesproken over een 'groepswezen' van de dieren. Bij het plantenrijk wordt zowel over een geest- als een zielenelement gesproken, die in dit geval beide niet op aarde verschijnen. Tenslotte geldt dat ook bij het mineralenrijk van leven, ziel en geest gesproken kan worden. Doch daarvan is slechts het fysieke lichaam 'hier', dat wil zeggen op aarde aanwezig. Alleen van de mens kan gezegd worden dat hij volledig hier is.

Dit is in overeenstemming met de reeds uitgesproken ervaring dat op aarde alleen de mens een scheppend wezen is.

Onze houding tegenover de natuurrijken

Op het ogenblik dat zulke dingen gezegd en neergeschreven worden, ontstaat er een situatie waarbij niet alleen onze drang naar kennis wordt aangesproken. Het zal voor velen duidelijk zijn dat het gebied van de nuchtere feiten zich hier verbindt met kwaliteiten van onze totale menselijkheid, waardoor een geheel nieuwe houding ten opzichte van de natuurrijken geboren kan worden. Ik bedoel een houding van dankbaarheid.

Natuurlijk geldt ook hier dat een dergelijke bewering voorlopig alleen van waarde is voor degene die haar uitspreekt. In de zogenaamde objectieve wetenschap streeft men ernaar dingen vast te stellen en uit te spreken die voor iedereen gelden, waarvan men zou kunnen zeggen dat iedereen met een logisch denkvermogen tot dezelfde conclusie moet komen. Dit geldt bijvoorbeeld onder andere voor de wiskunde: hier bestaan geen meningen.

Op het gebied waar we het hier over hebben, bestaan van wetenschappelijk standpunt bezien eerder slechts meningen. Maar hoewel heel andere elementen van onze ziel aangesproken worden dan bij het verwerven van exacte kennis, betekent dit niet dat er niet een overeenstemming van inzichten zou kunnen ontstaan. Dat kan echter slechts dan, als ieder mens individueel tot het essentiŽle van de feiten doordringt, of als men door het gewordene met het wordende in verbinding treedt. Dat is mogelijk omdat 'worden' iets uitdrukt dat net zo goed binnen onze ervaring ligt als de exacte feiten.

We weten uit eigen ervaring hoe vormen tot stand komen; we zijn weer terechtgekomen bij het begrip 'scheppen' en kunnen ook hier weer zeggen dat we daardoor in staat zijn hetgeen zich in de natuurrijken heeft afgespeeld innerlijk mee te maken, als we daarbij rekening houden met hetgeen in een werk als De wetenschap van de geheimen der ziel wordt meegedeeld. We nemen deze feiten niet zonder meer aan, we geloven ze ook niet, we horen ze aan en moeten de moed opbrengen ze te durven beoordelen op hun eigen waarde. Of en hoe we dan tot overeenstemming kunnen komen, moet door ervaring blijken. Deze ervaring speelt zich af in een van de schoonste gebieden van de menselijke samenleving: in het gesprek. Dit hoeft zich niet altijd in de vorm van gesproken woorden af te spelen, ook met het geschreven woord kan dit. Men kan met iemand in briefwisseling treden, maar ook het lezen van een boek kan de waarde van een gesprek krijgen, mits een gesprek met woorden, een briefwisseling of het lťzen van een boek nimmer de vorm aanneemt van een overtuiging aan de ander willen opdringen. Dit betekent niet dat men zelf niet van iets overtuigd zou moeten zijn, en het betekent ook niet dat men iets niet met geestdrift zou mogen uitspreken.

De oorsprong van de houding waar het hier om gaat, zit veel dieper en valt het best te omschrijven met de term: de ander vrij laten. Dit moet bij elke gespreksvorm wederzijds zijn.

We kunnen onze gedachtegang thans voortzetten en vragen: is deze dankbaarheid, waarover gesproken werd, gemeengoed? Tonen de mensen deze dankbaarheid op de een of andere wijze? In het innerlijk leven van de enkeling zal dat zeker dikwijls het geval zijn, maar als geheel kan men slechts zeggen dat de mensheid gedurende het voortschrijden van de zogenaamde civilisatie deze houding volledig uit het oog heeft verloren. Dat zij zeker heeft bestaan, zien we onder andere aan het feit dat in Tibet eeuwenlang de gewoonte heerste de akkeraarde slechts met de handen om te graven, om vooral nooit een wormpje te beschadigen. We zien het nog bij sommige 'ongeciviliseerde' volkeren, waar men bij het doden van dieren niet vergeet een - zij het symbolisch - zoenoffer te brengen aan de 'geest van het dier'.

Ook bij de landbouw van de oude stempel treft men nog een gevoel van respect aan bij het zich richten naar de wetten die men bij het verbouwen van voedingsgewassen in acht moet nemen. Ten aanzien van de Vreugde die mensen bij het genieten van bloemenpracht en bij het tuinieren ontwikkelen, geldt iets dergelijks.

Komen we bij het mineralen rijk, dan ontmoeten we nog dikwijls dat bekende enthousiasme, als we bijvoorbeeld met een 'echt' metaal te maken krijgen, wat tegenwoordig helaas minder en minder het geval is. Daarnaast kent iedereen de soms haast met ontzag vervulde bewondering bij het zien van kristallen en hun formaties.

Tegenover dit alles staat dat in de laatste honderd jaar een totaal andere houding ten opzichte van de rijken aan het ontstaan is. (Dat de economie hierbij een grote rol speelt, wil ik slechts terzijde opmerken.) Ik bedoel het kwellen van de dieren, het geweld aandoen aan de planten en het verspillen van het mineraal. Men kan natuurlijk andere woorden vinden, maar deze drie drukken uit wat ik hier te berde wil brengen.

Bij het kwellen van dieren moet men niet alleen denken aan alles wat met het begrip vivisectie samenhangt, maar ook aan de legbatterijen voor kippen, de nauwe hokken van varkens en kalveren, waarbij slechts economische maatstaven gelden.

Het gaat hier niet om een poging om met bepaalde voorbeelden sentimenten op te roepen, die slechts de bedoeling hebben een zekere stemming te wekken. Maar wanneer ik ten opzichte van hetgeen er in de wereld ook met hogere dieren gebeurt, herinner aan de uitdrukking dat dieren geen pijn hebben doch pijn zijn, spreek ik een inzicht uit dat ons tot een bepaald oordelen in staat stelt. Als men zich herinnerd wat ik hierover al gezegd heb, zal men zich kunnen afvragen of 'dierenleed' feitelijk niet veel erger is dan wij denken, juist omdat het dier niets tegenover deze pijn kan stellen.

Het is nodig hier een opmerking te maken ten aanzien van het probleem vivisectie. Telkens weer hoort men over discussies tussen mensengroepen, waarvan de ene niets van vivisectie wil weten en beweert dat men het ook 'zonder haar zou kunnen doen', de andere daarentegen met klem steeds weer wil laten zien dat het testen van de tegenwoordige geneesmiddelen zonder dierproeven niet mogelijk is. Men vergeet gewoonlijk dat daarmee tegelijkertijd de overtuiging uitgesproken wordt, dat onze tegenwoordige geneeskunde de juiste is, dat men het gevoel heeft - na jaren, ja, eeuwenlang zoeken - eindelijk ontdekt te hebben wat de ware aard van de ziekte is en de ware aard van de behandeling dus moet zijn. Ik meen dat hier een zwakke plek zit.

In de loop van de geschiedenis zijn er even zovele momenten geweest waarop men op een bepaald gebied van de wetenschap meende 'het nu eindelijk bereikt te hebben'. Het zou van een zekere wijsheid getuigen indien men steeds voor ogen hield dat het menselijke cultuurleven zich in een voortdurende ontwikkeling bevindt en dat we al ontelbare malen hebben meegemaakt hoe, op elk punt, we gevangen dreigen te raken in dogmatische voorstellingen. In mijn boek Geneeskunde op de drempel heb ik mij hierover uitvoerig uitgelaten.

Hoe dit ook zij, als men in de geneeskunde ooit zal willen afzien van dierproeven, moet zij zich in de toekomst in een geheel andere richting ontwikkelen.

Al is de tegenwoordige geneeskunde er nog zozeer van overtuigd op de goede weg te zijn en nog zo enthousiast over de bereikte resultaten (wat maar al te begrijpelijk is), men kan toch niet ontkennen dat in haar gebied dingen zijn binnengeslopen die men moet omschrijven met de woorden: kwantiteit, snelheid en geweld. We kunnen zeggen dat sinds de invoering van kunstmest in de landbouw en het bestrijden van consecutieve plantenziekten met pesticiden ook in dit gebied 'het geweld' is binnengeslopen. Het kweken van een zo groot mogelijke kwantiteit heeft het zoeken naar betere kwaliteit verregaand in de hoek gedrukt. Het gaat er hier echter voor alles om dit te plaatsen naast het begrip offer en het begrip dankbaarheid. Dat ook hier de greep van de economie op ons handelen duidelijk aan de dag treedt, zal iedereen wel gemerkt hebben.

Tenslotte wil ik nog een blik werpen op de houding van de mens tegenover het mineralenrijk, waarbij het woord verspilling al is gevallen.

Het gaat hier niet alleen om een 'te veel' maar om het feit dat het woord verspilling onverbrekelijk verbonden is met een gebrek aan respect. - Ik zou me goed kunnen voorstellen dat veel mensen tegenwoordig met het woord 'respect' tegenover de minerale wereld niet veel kunnen beginnen. Is het niet denkbaar dat ook hier de voorstelling, dat deze hele minerale wereld uiteindelijk niets anders is dan een kwantiteit eigenschaploze elementaire deeltjes, daar enigszins debet aan is?

Is het tenslotte niet opvallend dat ook op het gebied van de minerale wereld het geweld in hoge mate is ingetreden? Het bombarderen van de materie om deze te dwingen haar onvoorstelbare energie prijs te geven, spreekt in verband met wat zo-even gezegd is over het omgaan met dieren- en plantenrijk toch boekdelen!

We kunnen dit alles niet uitspreken zonder er op terug te komen, dat de houding waarom gevraagd wordt er een is die pas op een bepaald ogenblik in de ontwikkeling van de mensheid haar intrede kon doen. Het bijzondere van deze houding is dat zij uitsluitend van de mensen zelf afhangt. We spreken hier over een tijd waarin de mens voor het eerst niet meer een geleid wezen was en waarin een nieuw element in hem geboren werd, dat ik het best kan omschrijven als het goede.

Ik zou voor 'het goede' nog een ander woord willen gebruiken: het christelijke. Dit woord christelijk heeft niets te maken met een godsdienst. Er wordt iets mee bedoeld dat - op het ogenblik waar zo-even sprake van was - aan de hele mensheid werd geschonken. Dat betekent dat met deze eigenschap de mens pas wťrkelijk mens begon te worden.

Daarmee wordt op een bijzondere gebeurtenis gewezen die in de geschiedenis van de mensheid heeft plaatsgevonden: het gebeuren in Palestina. Dit leeft onder andere in het volgende gedicht van Christian Morgenstern, waarin hij uitdrukking geeft aan alles wat hier behandeld is. In dit prachtige gedicht 'Die Fusswaschung' heeft hij zowel het principe van de evolutie, zoals die hier beschreven is, als het moment van de incarnatie van het Christuswezen weergegeven:

Die Fusswaschung

'Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor,
und bŁcke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein-
und aller Gottheit Vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein.'

In het Nederlands zou ik het als volgt willen weergeven:

'Hoe dank ik u, gij stille steen,
en neig ik nederig mij tot u:
aan u dank ik mijn planten zijn.

Ik breng u dank, gij plant en steen
en maak een buiging naar u heen:
het dieren-zijn viel mij ten deel.

Ik dank u, steen en plant en dier,
en buk mij diep voor u terneer:
door u pas kwam ik tot mij zelf.

Wij danken u, gij mensenkind,
en knielen, liefdevol en vroom:
want door uw komen zijn wij hier.

Zo dankt het een het ander steeds
en alles telkens weer elkander:
het zijn omvat slechts dankbaarheid.'

In de tegenwoordige wetenschap streeft men gewoonlijk naar objectieve feiten, waarvan men hoopt dat ze blijvende geldigheid hebben. Ik zou hier iets heel anders tegenover willen stellen: de dingen die in dit boek gezegd zijn, hadden in de vorige eeuw nog niet uitgesproken kunnen worden, ja, misschien een halve eeuw geleden, misschien zelfs een kwart eeuw geleden nog niet. De tijden veranderen, zij veranderen snel. De menselijke individualiteit staat voor de drempel van een nieuw tijdperk; slechts zů kunnen we begrijpen waarom zich in de wereld de dramatische dingen afspelen die we nu meemaken. Ze zijn niet het gevolg van het zoveel slechter worden van de mensen, maar van het feit dat de mensen zich opnieuw op hun uitgangspunt en daarmee op hun toekomst zouden moeten bezinnen.

De gevonden aanduidingen kunnen thans zů met elkaar verbonden worden, dat ik zal trachten een antwoord te vinden op een vraag die nog niet gesteld is. Deze vraag luidt: indien het waar is dat geestelijke rijken een offer hebben gebracht om de menselijke evolutie mogelijk te maken, wat kan de mens daar dan behalve zijn dankbaarheid tegenover stellen?

Het spreekt vanzelf dat een rechtstreeks antwoord hierop vooralsnog slechts gegeven kan worden door de wezens die het betreft, die respectievelijk bij dierenrijk, plantenrijk en mineralenrijk 'horen'. Over deze antwoorden worden wij door de antroposofie ingelicht. Aan ons is het om te beoordelen of dit antwoord ons bevredigt. Daartoe heeft het voorafgaande ons, voor zover mogelijk, in staat gesteld.

Wanneer de mens voor plant, dier en mineraal het juiste begrip opbrengt, de juiste dankbaarheid ontwikkelt en op de juiste manier met ze omgaat, betekent dit voor de desbetreffende wezens een bevruchting, waardoor ze in de stroom van de evolutie weer opgenomen kunnen worden! Dit is geen hypothetische gedachte. Het is een mededeling vanuit een gebied waartoe wij direct op het ogenblik geen toegang hebben, maar die we wel kunnen verwerven.

Hoe moeten we tegenover zo'n mededeling staan? Het is aan ons zelf in vrijheid te besluiten: zů wil ik denken, want het betekent voor mij het beleven van een werkelijkheid die langzamerhand gaat opdoemen. Het is nog geen 'weten' waarover we dan beschikken, maar zo goed als we in het dagelijks leven tot een vatten, tot een grijpen en daarmee samenhangend bevatten en begrijpen van nieuwe dingen kunnen komen, zo kunnen we ook spreken van een langzamerhand gaan weten, van een beweten van dingen. Dit is geen goed Hollands woord, maar er is een ander dat ons hier kan helpen. Weten hangt samen met 'savoir' (Frans), met 'sapere' (Italiaans); wij kennen het mooie woord 'beseffen'.

Op die manier krijgen we een nieuwe toegang tot de ontwikkelingsmogelijkheid van ons bewustzijn. Ten opzichte van de inhoud van vroegere openbaringen bestond de houding van het geloof, ten opzichte van de feiten der zintuiglijke wereld beschikken we over een weten. De inhoud van ons toekomstige bewustzijn zou met het woord 'beseffen' aangeduid kunnen worden.