Pinkstergeest
Tekst van Rudolf Steiner uit GA 284
Om in deze tijd over Pinksteren te spreken zoals dat gebruikelijk
geworden is, is voor mij, in het licht van de ernst van deze tijd, een
onchristelijke handeling - hoewel dergelijke onchristelijke handelingen
tegenwoordig aan de orde van de dag zijn. Wat zij die zich waarachtig
hebben verbonden met onze beweging voor de driegeleding van het sociale
organisme over de vernieuwing van het onderwijs naar voren brengen, dat
is wel gesproken vanuit de geest van het Pinksterfeest. Want in het op
eigen benen zetten van het geestesleven, in het zelfstandig maken van
het onderwijs, daarin ligt de essentie van de Pinkstergeest in onze
tijd. Die geest is in andere zogenaamd religieuze stromingen inmiddels
al lang verdwenen.
We moeten er op hopen dat uit de emancipatie van het geestesleven die
wij nastreven de vernieuwing van dit geestesleven voortkomt die de
mensheid zo hard nodig heeft. Wat er in deze tijd in het onderwijs
gebeuren moet om de geest te vernieuwen, om de werkelijke Pinkstergeest
te laten stromen, dat is alleen nog te overzien voor degene die zich een
oordeel vormt over de mate waarin de anti-Pinkstergeest overal
binnengesijpeld is in wat in ons openbare leven in het zogenaamde
geestelijk verkeer tussen mensen gewoonte geworden is. (…) Het is van groot belang dat wij tot inzicht komen in de samenhang
tussen het loze gezwets van onze tijd en het onderwijs zoals wij dat nu
kennen. Het verwerven van dít inzicht is datgene wat zich zou moeten
verdelen en zich in afzonderlijke vurige tongen over de hoofden van onze
tijdgenoten zou moeten uitstorten.
Er wordt tegenwoordig vaak gesteld dat men aan het woord niet veel
betekenis hoeft te hechten, want ‘in het begin was er de daad’. Maar
deze zienswijze zal ons niet veel verder helpen want het woord is tot
frase en geklets geworden en de daad tot een gedachteloze brutaliteit.
Dan is het natuurlijk voor de hand liggend om geen betekenis aan het
woord te hechten. In het woord zoals dat nu gebruikt wordt, kan men
slechts de frase voelen, in de daad die we nu kennen voelen we de
gedachteloze brutaliteit.
Dit alles staat in een diepe verbinding met hoe opvoeding en
onderwijs in onze tijd geworden zijn. (…)
We moeten datgene wat ons werkelijk met de geest kan vervullen
wanneer we spreken, in onze ziel kunnen opnemen. We moeten de weg vinden
om het hart te laten meedoen wanneer onze lippen bewegen. We moeten de
weg vinden om de hele mens in onze woorden te leggen, anders wordt het
woord de opvoeder tot illusie, tot datgene wat ons afleidt van de ernst
van de werkelijkheid. We moeten afscheid nemen van die geest die ons
naar de kerk voert opdat wij daar worden weggeleid van de ernst van het
leven en ons behaaglijk laten vervullen met de frase: God doet het wel,
hij zal je verlossen van je zonden. - We moeten in ons zelf de krachten
zoeken die de goddelijke krachten zijn; ze zijn door de wereldgronden in
ons innerlijk gelegd opdat wij ze gebruiken en god in onze eigen ziel
kunnen opnemen. (…)
We zullen moeten leren de woorden te verstaan die naar de realiteit
van onze huidige tijd wijzen. Dan wordt het mogelijk dat de
Pinkstergeest zich werkelijk uitspreidt, dat in de toekomst kleine
vurige tongen binnentrekken in dat wat ontstaat op de bodem van het
bevrijde geestesleven zodat de bevrijde geest, die de ware Heilige Geest
is, vanuit het geëmancipeerde vrije geestesleven van de toekomst
werkzaam kan zijn voor de spirituele ontwikkeling van de mensheid.
Misschien is hiermee iets gezegd dat de religieuze praatjesverkopers
van vandaag de dag niet erg christelijk zullen vinden. Maar we zullen
toch moeten overdenken of het christelijke spreken van tegenwoordig niet
uit dezelfde geest stamt als die waaruit Petrus Christus driemaal
verloochende - of dat het voortkomt uit de Geest die sprak: Wat ik u
openbaarde is niet voor een bepaald tijdperk bestemd, maar zal door alle
tijden heen voortbestaan. Ik zal niet ophouden u de waarheid te zeggen,
en ik zal bij u zijn tot aan het einde van de aardetijd. - Zij die ook
in het christendom slechts de geest van het verleden kunnen horen,
zullen de praatjesmakers en de bedenkers van de frasen zijn. Zij die de
levende geest kunnen verstaan als roep tot omvorming en vernieuwing van
de menselijke sociale orde, zullen misschien toch degenen zijn in wie
men het ware christendom zal kunnen zien.
Moge dit tijdperk komen vanuit de in waarheid begrepen Pinkstergeest.
Deze tekst is opgenomen in het juni-nummer 2006 van
Driegonaal, tijdschrift voor antroposofie en sociale driegeleding,
Pinksteren 2006. Vertaling: John Hogervorst.
Web: www.driegonaal.nl
Dit artikel vertegenwoordigt uitsluitend de persoonlijke mening van de auteur en is gepubliceerd onder diens eigen verantwoording. AntroVista neemt zelf geen standpunt in en biedt slechts ruimte aan de mening van anderen.
|