Deel 3

10. Het wezen van de mens

Een nuchter mens van onze tijd pleegt te zeggen: werkelijk is voor mij alleen datgene, wat ik zie, hoor, kan ruiken, enz., kortom wat ik met mijn zintuigen kan waarnemen. Men noemt dit standpunt naef realisme. In het dagelijkse leven is daar ook geen bezwaar tegen. Anders wordt de zaak, wanneer wij dit vraagstuk even van meer filosofische zijde bekijken.

Dat een mens uit lichaam, ziel en geest bestaat, wordt tegenwoordig vaak zo aangeduid, dat het lichaam het enig werkelijke is en de ziel en de geest datgene zijn, waarvan men de werkelijkheid niet op dezelfde manier kan benaderen als die van ons lichaam. Als men ziel en geest als werelden van werkelijkheid aanspreekt, waarbij men dan de ziel als deel van een zielewereld, de geest als deel van een geestelijke wereld moet denken, zoals het lichaam een deel is van de ons omgevende 'lichamelijke' wereld, vallen ze in het gebied van het geloof.

Ik meen dat men dit ook anders kan denken. Aan de ene kant is, vooral van fysiologische zijde, reeds eeuwenlang naar voren gebracht dat onze zintuigelijke indrukken uitermate subjectief zijn, dat ze afhankelijk zijn van de bouw van ons lichaam en dat men niet zonder meer kan zeggen dat wat men waarneemt een objectieve werkelijkheid is. Aan de andere kant geloof ik, dat men de richting waarin het antwoord ligt op de vraag waar men de werkelijkheid dan moet zoeken, feitelijk al aangegeven heeft. Men velt namelijk zelf een oordeel over het werkelijk of onwerkelijk zijn van een wereld om ons heen.

Wat geeft mij het recht zo'n uitspraak te doen? Toch alleen maar het feit, dat ik over het standpunt beschik van waaruit ik oordelen kan. Wanneer ik over een werkelijkheid spreek, die ergens zou moeten bestaan en waar ik part noch deel aan heb, dan spreek ik een oordeel uit, dat zich in zichzelf feitelijk weer opheft; alleen vanuit het kennen van de werkelijkheid kan men daarover spreken.

Wij zijn in de tegenwoordige tijd maar al te zeer geneigd een mens daartoe niet in staat te achten. Men beschouwt dit als een zekere aanmatiging en schuift de mogelijkheid van het oordelen op dit gebied eventueel naar een hogere wereld (b.v. 'God'). Men vergeet dan, dat ook dit weer een oordeel is dat men zelf velt. Om dit punt in ons, wat het oordeel velt, in zijn volle duidelijkheid te grijpen, moeten wij eerst de z.g. werkelijkheid van de zintuiglijke wereld onder de loep nemen.

De huidige zintuigfysiologie, die het waarnemen tracht te doorgronden, gaat ervan uit dat de buitenwereld werkingen op onze zintuigen uitoefent, werkingen die zich organisch in ons lichaam rechtstreeks voortzetten. Twee dingen laten zich echter niet verenigen: 'iets waarnemen' en 'met iets verbonden zijn'. Waarnemen kan ik iets pas, als ik er van gescheiden ben! Natuurlijk brengt de buitenwereld ons iets tegemoet, maar ook wij brengen de buitenwereld iets tegemoet. Waar deze twee principes elkaar treffen, ontstaat ons waarnemen. Het is naar mijn mening al niet helemaal correct als men zegt: 'ik zie een boom'. Men zou minstens evenzeer moeten zeggen: 'ik denk een boom'. Door dit, om zo te zeggen, wegschuiven van de indrukken van de buitenwereld, ontstaat juist ons ruimtebewustzijn. Tegelijkertijd echter ontstaat het raadsel dat de buitenwereld ons voortdurend opgeeft: wij zijn de buitenwereld niet, wij staan er tegenover. Wij scheppen er een beeldenwereld tegenover, een denkbeeldenwereld.

Er is een andere beeldenwereld, waar wij de hele dag mee te maken hebben, dat is die van onze herinneringen, onze herinneringsbeelden. Ook deze wereld staat tot op zekere hoogte buiten ons zelf, ook al dragen wij haar in ons zelf mee. Wij zijn ook onze herinneringen niet, wij hebben ze.

Wij zullen nu trachten het mensenwezen opnieuw uit deze gezichtshoek te analyseren.

Wanneer wij een mens zien, d.w.z. met onze ogen (en ook met andere zintuigen) waarnemen, hebben we uitsluitend met het lichaam te maken. Alleen van het lichaam kunnen we zeggen dat het zichtbaar is. Het lichaam beleven wij als een ruimtelijk ding, dat we in de ruimte van plaats zien veranderen, dat een zekere ruimte inneemt enz. Kortom: het lichaam is zichtbaar in de ruimte. Wij moeten er daarbij aan denken, dat dit menselijke lichaam hetzelfde is als datgene, wat in de anatomie- en fysiologieboeken afgebeeld is en behandeld wordt. Binnen zekere grenzen hebben alle mensen een zelfde lichaam, het biologische deel van de mens.

Een geheel andere betekenis krijgt het woord 'mens' echter, als wij op een volgende betekenis van dit woord ingaan, namelijk daar, waar we ons zelf 'mensen' noemen en elkaar als zodanig aanspreken, daar waar we te maken hebben met 'naamdragers', met 'Meneer Zus', of 'Mevrouw Zo'. Ik wil deze mens de 'persoon' noemen. Het is voor sommigen van ons steeds een verrassing om zich te realiseren, dat men deze persoon niet zien kan; wat men ziet, is slechts het lichaam. (Dat wij aan een lichaam iemand kunnen herkennen, is een totaal ander probleem, dat nog ter sprake zal komen). Men moet zich dit echter niet alleen even voor ogen stellen, maar eens goed op zich in laten werken: ik kan niet zien wie iemand is; ik moet hem vragen wie hij is. Wat hij mij dan zal vertellen, zijn in de eerste plaats herinneringen, altijd weer herinneringen. Wat er later nog aan elementen bijkomt, is op het ogenblik niet wezenlijk: het belangrijke is, dat iemand zijn persoon uit herinnering aan mij beschrijft en dat ik datgene, wat hij mij meedeelt, evenzeer in mijn herinneringsrijk opneem. Dit herinneren, dat een groot deel van het leven omvat, is een wonderbaarlijk gebeuren. Men spreekt nu over iets dat zoveel jaar geleden gebeurd is en brengt het zich nu weer 'voor de geest'.

Uit herinneringsbeelden en in aansluiting daaraan vormen zich ook de plannen voor de toekomst, die in zekere zin z door ons beleefd worden als ons herinneringsleven en waaruit we dan ook het materiaal voor onze toekomstbeelden nemen. Een wonderbaarlijke gedachte: een mens draagt verleden en toekomst voortdurend in zijn herinnerend bewustzijn met zich mee in dit geheel, is onzichtbaar, alleen maar herinnerbaar, herinnerbaar in de tijd.

Hier moet nog iets belangrijks aan toegevoegd worden: datgene wat wij als volwassen persoonlijkheid in ons leven zijn, waardoor wij elkaar met een naam aanspreken is er in het geheel nog niet bij de geboorte! Als een soort van standaard-anecdote pleeg ik wel in voordrachten te zeggen: 'In de geschiedenisboeken staat dat Goethe in 1749 geboren is. Dat is niet helemaal correct. Als dit waar was, zou de Moeder van Goethe bij zijn geboorte hard geroepen hebben: 'Kom toch gauw kijken, Goethe is geboren!"

Goethe, elke persoon, verschijnt pas gedurende zijn leven. Dit is het grote raadsel dat haast elke moeder wel eens uitspreekt als zij haar baby in haar armen heeft: wat zou dat wel worden? Misschien voelt men meteen hier al het grote verschil met het dierenrijk: als er een poesje of een muisje geboren wordt, weet men altijd wat het worden zal: een grote poes of een grote muis; daar is het antwoord mee gegeven! Bij een baby gaat het er niet om dat hij een groot mens wordt, doch om de vraag: welke persoon zal hier verschijnen? Men kan zelfs zeggen: hoe ouder iemand wordt, hoe meer hij verschijnt. Dit gaat zo door tot aan zijn dood.

Ook hieraan voelen we hoezeer de persoon een tijdswezen is. Verleden, toekomst, jong, oud, het zijn in wezen allen tijdsbegrippen. Met recht kunnen we zeggen: de persoon is herinnerbaar in de tijd.

We komen nu tot een derde principe. Waarom verschilt de ene persoon van de andere? We kunnen voorlopig het begrip 'aanleg' noemen. In de loop van het leven blijkt de ene persoon over een geheel andere aanleg te beschikken dan een ander, b.v. ten opzichte van het omgaan met een bepaald instrument; we kunnen hier zeer goed aan een muziekinstrument denken, maar het geldt natuurlijk evenzeer voor andere, zelfs technische instrumenten, ook voor gebieden van wetenschap enz. Men kan hier ook het woord 'talent' gebruiken.

Analoge verschillen ontmoeten wij, wanneer we letten op de personen tot wie iemand zich aangetrokken voelt. Men zou dit met het woord 'verwantschap' kunnen uitdrukken. Men moet daarbij niet vergeten, dat ook het door iemand afgestoten worden als een soort verwantschap beschouwd kan worden.

Nog een ander voorbeeld is datgene, wat we kennen als een specifieke vatbaarheid van een persoon voor bepaalde ziektes. Elke ziekte kan alleen maar optreden als er een bepaalde vatbaarheid voor die ziekte bestaat. Over dit onderwerp zou men eigenlijk meer in finesses moeten treden; het gaat hier echter alleen maar om de grote lijn en met het begrip 'vatbaarheid' zijn we allen toch wel voldoende vertrouwd. Het is niet moeilijk om in verwantschap, vatbaarheid en talent iets gemeenschappelijks te voelen. Men kan deze woorden zelfs min of meer verwisselen, de grenzen liggen hier lang niet zo scherp als in het gebied van het exact-wetenschappelijke.

Waarom zou men niet ook kunnen zeggen dat men een talent voor mazelen heeft, of een talent voor een bepaalde persoon? Waarom zou men niet kunnen zeggen dat er iets, met talenten beladen bij elke geboorte, aanleiding geeft tot het verschijnen van de persoon gedurende het leven? Bij dit woordje 'iets' is het derde principe reeds aangeduid. We willen dit, voorlopig hypothetisch, met het woord 'individualiteit' aanduiden. Deze individualiteit, deze kern, is hetzelfde wat we zoven al onuitgesproken hebben aangeroerd toen er over herinneren gesproken werd; het is het principe dat zich herinnert. We kunnen zonder bezwaar hier voorlopig al het woord 'Ik' gebruiken: het Ik herinnert zich, Ik herinner mij.

Er is een wonderbaarlijke relatie tussen dit Ik en het zich herinneren. Deze relatie op het spoor te komen, is van het allergrootste belang.

Wij moeten ons eerst duidelijk voor ogen stellen dat dit Ik, deze individualiteit, datgene wat als kern in de persoonlijkheid leeft, iets mysterieus is. Wanneer ik immers over iemand spreek, kan ik alleen maar over zijn persoon iets zeggen. Over zijn individualiteit direct kan ik niets bepalen. Ik weet dat zij er is. Niet voor niets heb ik zoven van een hypothetisch principe gesproken, zij het ook van een voorlopig hypothetisch principe.

Willen wij over het wezen van het Ik iets naders kunnen zeggen, dan moeten wij ons eerst nog eens bezinnen op de wijze hoe we de ervaringen van het lichaam en van de persoon opgedaan hebben: Het lichaam was zichtbaar in de ruimte, de persoon herinnerbaar in de tijd. Voor het Ik zullen we een dergelijke typering moeten vinden, zodat wij een derde benaderingskarakteristiek kunnen neerschrijven.

Wanneer we voor het lichaam de ruimte als het element, de sfeer, hebben aangeduid, waarin wij het vinden, wanneer we voor de persoon op dezelfde wijze de tijd gevonden hebben, dan zullen wij er onwillekeurig toe komen ons met het begrip 'eeuwigheid' bezig te houden.

In het algemeen is de onbevangen mens geneigd onder 'eeuwig' eeuwigdurend te verstaan. Dit is echter een tijdsbegrip! Een ander besef dat zich gewoonlijk met het begrip 'eeuwigheid' verbindt, is dat van 'oneindigheid'. Doorgaans verbindt men hiermee echter toch een soort ruimtebegrip. Eeuwigdurend, de oneindigheid! Het zijn gebruikelijke termen en er is ook niets op tegen, dat men dit doet. Voor onze beschouwing is het echter nodig om te begrijpen, dat men met het woord 'eeuwig', als men het naast ruimte en tijd wil plaatsen, niets ruimtelijks en tijdelijks moet verbinden. De vraag is nu: wat dan wel? En de volgende vraag is: hoe kan een wezen dat zich zelf spontaan in ruimte en tijd beleeft, het begrip 'eeuwigheid', dat buiten ruimte en tijd gedacht moet worden, uitspreken?

We kunnen het antwoord alleen maar vinden, als we de reeks zichtbaar en herinnerbaar ook met een derde principe aanvullen. Zien (zintuiglijk waarnemen in het algemeen) en herinneren zijn echter reeds gewaarwordings-, bewustzijns-inhouden van verschillende kwaliteit. Met het herinneren is men veel en veel intiemer verbonden dan met hetgeen wat men 'slechts' waarneemt. Het waarnemen is altijd min of meer met de buitenwereld verbonden, met iets wat zich buiten ons bevindt. De herinneringen zijn het kleed onzer persoonlijkheid. Wij kunnen over onszelf alleen in herinnering spreken.

Er is zoven gezegd dat men van de individualiteit zelf alleen maar iets kan te weten komen via zijn persoonlijkheid, die men slechts met de lichamelijke mens verbonden kan ontmoeten. Men kan nog verder gaan en zeggen: de mens kan zijn Ik als kern slechts hanteren, hij kan om het kort te zeggen, alleen maar Ik-bewust zijn, als hij over zijn waarnemingen en ook over zijn herinneringen beschikt. Als op de een of andere wijze door ziekte het herinneringsvermogen van de mens opgeheven wordt, beleeft de mens zich ook niet meer als een Ik. Hoe begrijpelijk wordt het dan, dat de blik van zulke mensen uitblust; het is alsof er een innerlijk licht aan het verdwijnen is.

 

Hoe staat het nu met het Ik als we naar een uitdrukking zoeken die bij dit Ik past, zoals waarneembaarheid voor het lichaam en herinnerbaarheid voor de persoonlijkheid gold? Hier is volgens mij slechts n woord bruikbaar en op zijn plaats, het woord 'aanwezig'. Het Ik is aanwezig.

Aanwezig zijn betekent hier dan de meest intieme uitspraak die men over de werkelijkheid kan doen, doch werkelijk aanwezig is slechts de individualiteit, werkelijk aanwezig ben slechts Ik zelf! Juist de paradoxen, die zich dan aan ons opdringen, kunnen ons zo veel verder brengen in het beseffen van de waarde van deze conclusie.

Men zal natuurlijk vragen: is mijn lichaam dan niet aanwezig? In de zin van wat hier behandeld is, kan alleen maar geantwoord worden: neen! Van mijn lichaam kan ik niet zeggen dat het aanwezig is, want ik kan het alleen maar zien. Is mijn persoon aanwezig? Neen, want ik kan mij mijn persoon alleen maar herinneren.
Is mijn individualiteit aanwezig? Ja!
Hoe weet ik dat? Omdat ik het zelf ben!

Het hypothetische begrip 'individualiteit', het woord 'Ik', dat er mee verbonden is, heeft zich nu uitgebreid tot de twee woorden 'Ik ben'. Slechts in het 'Ik ben' leeft de mens in een absolute werkelijkheid, is hij aanwezig. Het moeilijke hierbij is, dat hij in zijn 'Ik ben' alleen maar aanwezig is. Het is een 'puntvormig' principe, de enige werkelijkheid die in ruimte en tijd verschijnt, welke laatste als lichaam en persoon een kleed voor het Ik zijn.

In het praktische leven weet men dit maar al te goed, ook al maakt men zulke onderscheiden niet dagelijks. Als ik iemand, na hem 50 jaar niet gezien te hebben, weer ontmoet, als ik hem eerst niet herken, omdat zijn lichaam verregaand veranderd is en zijn persoon zich verregaand gevormd heeft, en wanneer ik dan, als ik hem herkend heb, zeg 'ben jij dat', dan is dat 'jij' precies hetzelfde jij dat ik reeds 50 jaar geleden heb toegesproken. Wij voelen hier direct dat het 'ik ben' vanzelfsprekend een eenheid vormt met het 'jij bent', 'hij is', 'wij zijn' enz. Het gaat hier steeds om de individualiteit, waarmee buiten ruimte en tijd alle menselijke individualiteiten op aarde dezelfde werkelijkheidswereld vertegenwoordigen.

Is het niet wonderbaarlijk om tegen mensen tot wie men in een zaal spreekt, te zeggen: Geachte aanwezigen! Echter, het zeggen is niet voldoende. Het woord 'aanwezig' wordt pas belangrijk als men gaat voelen dat men hier de enige werkelijkheid te pakken heeft die men kent. Op dat ogenblik wordt alles omgedraaid, wat men tot dusverre maar al te zeer geleerd heeft: de werkelijkheid te voelen in de concreetheid van de harde materie! Men zou feitelijk nu niet meer moeten zeggen: een mens bestaat uit lichaam, ziel en geest, maar uit geest, ziel en lichaam!

 

In deze beschouwing hebben wij al enige malen over het dierenrijk gesproken. Het dier is van zijn geboorte af bepaald. Zijn uiterlijk, zijn innerlijk en zijn omgeving vormen min of meer een eenheid.

Het ontstaan van de persoon, dat wil dus zeggen de ontwikkeling van het menselijke zielenleven in de loop van het leven, gebeurt als wisselwerking van de aanwezige individualiteit met de omgeving waarin die komt te leven.

Daarmee is de toekomst echter niet bepaald. De situaties waarin wij terecht komen, de ontmoetingen die wij hebben, hebben we niet in de hand. Wij hebben ze van tevoren niet kunnen overzien; wat we echter uit de situatie maken, hangt in hoge mate van ons zelf af. Toch is deze mate van vrije ontwikkeling niet gedurende het hele leven hetzelfde. Feitelijk is dit vrije ontplooien het meest voor de jeugd weggelegd. Hoe langer men leeft, hoe meer men tot in de lijnen van zijn gelaat, tot in de bouw van zijn lichaam, een uitdrukking wordt van de persoon. Men kan zeggen: de levensloop wordt langzamerhand op de huid geschreven. Maar ook de omgeving waarin wij leven, wordt in idele zin meer en meer beperkt en in ons zielenleven worden wij ondanks onszelf toch steeds meer gespecialiseerd.

Wanneer wij van iemand zeggen 'ik ken hem', kan dat zelfs een beledigende klank dragen. Degene die dat van zich hoort zeggen, zal vaak in een soort van wanhoopsgevoel tegen zichzelf zeggen: ik wil niet volledig gekend worden! Hij lijdt onder zijn gekend worden. Men hoort van iemand zeggen: hij kan nergens anders meer over spreken. Weer een beperking, een specialisatie. Ten slotte kennen we ook het begrip 'zijn handen staan er helemaal naar'.

Wij moeten ons niet ontveinzen, dat dit voor alle mensen tot op zekere hoogte geldt. Het is nu eenmaal niet anders. Iemand die oud wordt, wordt zo intensief de persoon die hij in zijn leven ontwikkelt, dat 'gekend worden', een gespecialiseerd innerlijk hebben en een uitgedrukt lichaam met zich meedragen, in de verte vergelijkbaar worden met hetgene wat het dier als gekerkerdheid altijd met zich meedraagt.

Welk een zegen om dan te mogen kunnen sterven, om dan het ruimtelijke en het tijdelijke 'met het eeuwige te verwisselen', welk een verlossing, welk een genade!

Het is van het grootste belang dat de mensen leren inzien dat ze hun persoon en vanzelfsprekend ook hun lichaam, niet zijn. Ik heb mijn lichaam, ik verschijn als persoon, ik ben een individualiteit, d.w.z. ik ben een 'ik ben'.

Als men er niet toe komt het 'ik ben' van de persoon (en natuurlijk ook van het lichaam) te onderscheiden, werkt men onbewust er aan mede dat de mens langs een heel andere weg dan in de oorspronkelijk aangehaalde evolutieleer, toch weer als een hoger dier beschouwd zou worden.

In het leven gaat het er om, de werelden waartussen de persoon leeft, de wereld van de individualiteit en de wereld van de zintuiglijke gewaarwording, in hun werking op de persoon te leren doorzien. Als individualiteit staat de mens altijd tegenover wat hij ondergaat. Hij ziet de sterren, hij ziet de bergen, hij ziet de bomen, hij ziet zijn lichaam, hij herinnert zich zijn verleden en hij kent zichzelf voorzoverre hij zelfkennis ontwikkelt.

De individualiteit is voor mij tevens de bron die onverbrekelijk verbonden is met morele krachten, die in elk mensenwezen leven: vrijheid, moraliteit en verantwoordelijkheid! Tussen het Ik en de omgeving waarin de mens leeft ontwikkelt zich de persoonlijkheid. Wanneer wij het 'ik ben', de individuele geestkern van de mens, als buiten de ruimte en tijd op aarde aanwezig beschrijven, begrijpen wij ook, waarom in het elkaar aankijken zulk een intens beleven ligt. Men kijkt van Ik tot Ik, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Dit is ook de reden waarom men met mensen, waar men als persoon volkomen als vreemde tegenover staat, toch direct een menselijk contact kan hebben. Het moet een wonder zijn, een menselijk wezen te 'mogen aankijken, waarvan het 'Ik ben' nog totaal onversluierd is door het toekomstige persoonlijke. Dit gebeurt ontelbare malen in ons leven als wij de rustige blik van een heel jong kind opvangen. De stille sterrenglans, van een 'oneindige' diepte vervuld, kan ons met een intens geluksbeleven treffen!

 

In het leven vormen individualiteit, persoonlijkheid en lichaam een eenheid. Hadden wij geen individualiteit, onze menselijke ziel zou op een dierlijk stadium zijn blijven steken. Het licht van de individualiteit, van het Ik, doorstraalt onze ziel, men kan ook zeggen: zij klinkt er in door. Daardoor wordt de ziel tot persoonlijkheid (persoon = doorklinker, gevormd uit per = door en sonare = klinken). Door dit feit grijpt de mens de wereld, ook zijn eigen lichaam en ziel, op een wijze, verschillend van die van elk ander natuurwezen. Wellicht moet hierin de verklaring gezocht worden van het merkwaardige feit dat de mens geneigd is de zichtbare wereld als werkelijkheid te erkennen, hoewel van alle kanten filosofen en andere wetenschapsmensen, fysiologen, hem over de betrekkelijkheid van de zintuiglijke wereld onderrichten. Het dagelijks leven geeft hem een naef, rotsvast gevoel van 'werkelijkheid' om zich heen. Dit ontstaat waarschijnlijk daardoor, dat hij zijn besef van werkelijkheid, dat hij ten opzichte van zijn Ik-gevoel terecht (maar dan ook alleen ten opzichte daarvan) met zich meedraagt, ook toekent aan de wereld om zich heen die hij slechts in zekere mate met zijn Ik-bewustzijn verbindt.

De werkelijkheid van ons 'ik ben' blijft niet erin besloten. In de wisselwerking tussen individualiteit en wereld, via persoon en lichaam, onderzoeken wij de schepping op haar werkelijkheidswaarde.

Zo schijnt door het lichaam en ziel heen een element van geheel andere orde door de mens. Het woord 'door de mens', het feit dat een werkelijkheidswereld herkend wordt in elk mens, kan dan een brug worden tot begrip van veel dat hier over de metalenwereld behandeld is.