Deel 1

1. Structuur en vorm

Wat is een metaal?

Een definitie kan vrijwel nooit iets zó bepalen dat het daardoor in al z'n eigenschappen kenbaar en begrijpbaar wordt. Alleen in het mathematische is een definitie volledig op haar plaats. Daarentegen zou men in plaats van de vraag te stellen: 'wat is een metaal?' beter kunnen vragen: 'waarom noemen wij iets een metaal?'

Men kent het metaal immers. We weten allemaal wat een metaal is. Voor een deel is het zelfs iets zó typisch, dat het gebruik van het woord 'metaalglans' b.v. veronderstelt, dat men weet dat metaal een speciale glans heeft, die zich van elke andere glans onderscheidt.

De glans is dus het eerste wat we als kenmerk zouden mogen noemen. Een andere eigenschap is het koud aanvoelen. Dit gaat overigens niet voor alle metalen in gelijke mate op en maakt, dat wij reeds daardoor verschillende soorten metaal van elkaar kunnen onderscheiden. De snelle warmtegeleiding van het metaal, waar het hier om gaat, is echter bij vele metalen zeer opvallend.

Een volgende eigenschap is het 'zwaar-zijn'. Het gaat hier natuurlijk om de specifieke zwaarte, d.w.z. dat een voorwerp van een bepaalde grootte bij een bepaald gewicht de indruk zal kunnen maken uit metaal te bestaan, ook wanneer dat van buiten misschien niet direct te zien is.

Wanneer we iets meer naar het technische toe gaan, kunnen we nog de smeedbaarheid van het metaal noemen. Het eigenaardig plastische, dat het metaal vertoont, is bij andere natuurlijke stoffen in die mate slechts zeer zelden aanwezig. Dat vele metalen een uniek geleidingsvermogen voor elektriciteit hebben, mag wel als algemeen bekend beschouwd worden. Het ligt in de geest van de tegenwoordige tijd, de oorzaak van de genoemde verschijnselen in de innerlijke structuur van de materie, in dit geval van het metaal, te zoeken. We trachten de eigenschappen van alle materie te verklaren door hoedanigheden van elementaire eenheden, die we ons als bouwstenen van die materie denken.

Dit voert ons tot de vraag 'vanuit welke achtergrond kunnen we een geheel van verschijnselen, dat zich aan ons voordoet, bevredigend verklaren?'.
Wanneer ik een huis afbreek totdat de stenen alleen maar over zijn, zal ik uit de stenen op zich zelf nooit meer kunnen aflezen dat ze eens met elkaar een huis gevormd hebben. Men kan ook niet zeggen: het huis bestaat uit een opeenhoping van stenen. Deze zijn immers ingevoegd in een geheel, dat van tevoren als plan in het brein van iemand bestond. Dit geheel is na de afbraak niet meer waarneembaar.

Men kan deze gedachtegang in verband brengen met de bekende stelling 'het geheel is meer dan de som der delen'. Niet iedereen realiseert zich echter, dat dit niet betekent dat dit geheel een toevallig resultaat is van de groepering der delen, doch dat daarin een organiserend principe reeds vooraf moet hebben bestaan. Dat deze stelling niet uit de lucht gegrepen is, leert ons de ervaring die we opdoen bij alles wat ons in de door de mens geschapen vormenwereld omgeeft. In elk voortbrengsel van de menselijke geest, hetzij kunstwerk of technisch product, wordt de boven geciteerde stelling nl. duidelijk geïllustreerd. De idee was er eerst, het product is de zichtbaar geworden idee.
De vraag is nu, of men op een heel ander gebied niet telkens datzelfde tegenkomt.

 

Wanneer we een plant ontleden in haar verschillende organen, is het wel duidelijk dat deze laatste alle slechts elementen van een totaalcompositie zijn, die als zodanig het uitgangspunt van ons onderzoek was. Doch dit uitgangspunt begint zich aan onze blik te onttrekken zodra we de plant gaan ontleden! De in haar onderdelen ontlede plant, die voor ons ligt, geeft het beeld van de plant zoals die oorspronkelijk was niet meer weer. Ik meen dat het gerechtvaardigd is om ook hier, evenals dat met het huis en de stenen het geval was, het geheel – de totale plantenvorm - als het primaire te beschouwen ten opzichte van de onderdelen. Dat de wijze van het totstandkomen van deze plantenvorm daarmede nog niet doorzien wordt, heeft met deze conclusie in wezen niets te maken.

Ook wanneer we de plant chemisch onderzoeken, komen we er niet uit, als we de plant in haar verschillende vormen zouden willen trachten te verklaren vanuit haar chemische samenstelling. De chemische stoffen bouwen de plant niet op, doch ze voegen zich naar de specifieke structuur die iedere plant, tot in haar stoffelijke samenstelling toe, draagt. Als men zich dan de vraag stelt 'hoe komt het dat die stoffen nu juist in deze plant aanwezig zijn?', dan kan men tot geen ander antwoord komen dan 'omdat het deze plant is!'. Daarmede zijn we echter weer bij ons uitgangspunt terechtgekomen! Men kan dit kort aldus formuleren: de plant bestaat niet uit materie, doch is zichtbaar door materie.

 

Niet voor niets heeft men zich bij het onderzoek naar de samenstelling der ons omgevende wereld vooral op het mineralenrijk geconcentreerd. Men had hier het gebied voor zich dat zich het best leende voor een exacte wijze van benaderen. Het eerste waar men op stootte waren de z.g. elementen, waaruit de ontleedbare stoffen samengesteld waren en die op hun beurt op de gangbare wijze niet verder te ontleden waren. Ook deze elementen heeft men echter in hun verschillende eigenschappen willen leren begrijpen. Men heeft het onderzoek uitgebreid tot in het hypothetische toe.

Nu hoeven we ons niet met de finesses van de moleculaire-, atomaire- en nucleaire bouw van de stof bezig te houden. Voor onze beschouwing is het voldoende het volgende te bedenken: De verschillende stoffen die we in het leven als elementen kennen en waarvan we als typisch voorbeeld vele metalen kunnen nemen, kennen we door een aantal eigenschappen. Hiervan zijn al genoemd: glans, zwaarte, gedrag ten opzichte van warmte en kou, tegenover de elektrische stroom, gedegenheid, enz.

Alle onderzoekingen en de daaraan verbonden conclusies, die zich ten slotte tot in het nucleaire uitstrekken, zullen noodzakelijk als eindpunt een resultaat moeten opleveren, dat het mogelijk maakt aan ieder element een andere innerlijke structuur toe te kennen, met dien verstande, dat de verschillende innerlijke structuren in direct verband staan met de verschillende 'uiterlijke' hoedanigheden.

Nu moeten we ons afvragen: zijn die structuren verantwoordelijk voor de uiterlijke hoedanigheden? Zo ja, dan verrijst weer het probleem: waarom verschijnt een bepaald metaal in de gedaante van koper en een ander in de gedaante van ijzer? Indien het antwoord dan luidt: 'omdat hun atomen die en die nucleaire structuur vertonen', zal men de vraag moeten stellen: waarop berust het feit dat de atomaire structuur van die twee metalen verschillend is? Het zal niet voor iedereen direct voor de hand liggen om dan te antwoorden 'omdat het ene koper en het andere ijzer is'; toch meen ik, dat dit de enige uitweg is om het raadsel van de materie uiteindelijk op een bevredigende manier te benaderen. Men moet dan ook hier het uitgangspunt nl. het geheel, dat de som van de eigenschappen omvat, als een primair principe ten opzichte van de structuur huldigen.

Bij het menselijk lichaam, bij het dierlijk lichaam, bij de plantengestalte kan men altijd een vaag idee hebben van een organiserend principe (ook al weet men dat men dan voor een nieuwe, kwantitatief niet bepaalbare verschijnselenreeks als de bewustzijnsverschijnselen bij mens en dier en de levensverschijnselen bij de plant terechtkomt), een principe dat men in zijn openbaringen steeds meer leert kennen, naarmate men de waarneembare verschijnselen in deze natuurrijken in het licht van die door ons besefte eenheid bestudeert. Bij de minerale materie, in casu bij de metalen, is die eenheid betrekkelijk weinig zeggend. We hebben het gevoel dat het ene metaal iets geheel anders in zich draagt dan het andere, en tegelijkertijd laat ons de gedachte niet los, dat men in de wereld van deze stoffen voor de meest verborgen gebieden staat, wat hun oorsprong betreft.

Wij zullen nu trachten het metaal te vervolgen, niet naar een hypothetische, onzichtbare achtergrond toe, doch in een steeds meer zich uitbreidende 'voorgrond'. We zullen het gebied dat men hier organiserend zou kunnen denken, eerst moeten opzoeken, d.w.z. we zullen het gebied moeten ontdekken waarin de metalen in een concrete ervaring zich duidelijker 'uitspreken' dan op de manier zoals ze dit op het eerste gezicht doen. Het gebied, dat hier bedoeld is, is de techniek. Onder techniek verstaan we hier alles wat de mens als gebruikswereld om zich heen geschapen heeft.

Het gebruik van de metalen is al heel oud. Toch weten we allen dat er een stadium in de menselijke cultuurontwikkeling was, waarin men het metaal niet, of vrijwel niet, kende. Dit was het z.g. stenen tijdperk. Op een gegeven ogenblik duiken dan de metalen op, wanneer valt niet precies te zeggen. In het Midden-Oosten, in het Oosten in het algemeen het eerst. Toen Columbus Amerika ontdekte was het gebruik van metalen daar ook reeds. Hoelang? Men moet op de resultaten van de opgravingen afgaan. Zeker is het, dat ten minste 3000 jaar vóór onze jaartelling een bekend-zijn met verschillende metalen vastgesteld kan worden.

Uit de geschiedenisboeken horen we van een bronzen tijdperk. Later van een ijzeren tijdperk. Tin en koper zijn dus als de samenstellende elementen van het brons al vroeg bekend geweest. Lood en kwik geven de indruk pas later in de handen van de mensen te zijn gekomen.

Dat goud al heel vroeg verscheen - in de oudste graven vinden we reeds de mooiste gouden sieraden - is algemeen bekend. Het goud is tevens het metaal, feitelijk het enige, dat in direct bewerkbare toestand in de aarde wordt aangetroffen.

Hiermee komen we met een probleem in aanraking dat allereerst onze aandacht verdient. Er werd zoëven b.v. over de zwaarte en de glans van metalen gesproken. Een andere eigenschap, die bij hun aard behoorde, was de 'kneedbaarheid', de smeedbaarheid, de gedegenheid. Mag nu een erts door z'n zwaarte en vaak ook door z'n glans het geheim verraden dat het een metaal in zich verbergt, de smeedbaarheid, de gedegenheid mist het vrijwel geheel. Daartoe moet het metaal als bruikbare stof in de techniek eerst uit de ertstoestand bevrijd worden. Het feit dat dit eerst nodig is werpt een bijzonder licht op de speciale plaats, die de metalen in onze technische cultuur innemen.

Alle materie, die de mensen gebruiken voor het vervaardigen van de dingen, ondergaat een zekere bewerking. Hout wordt gekapt, gezaagd, geschaafd, enz. Steen wordt gehouwen, geklopt, gepolijst. Metalen echter zijn - met uitzondering van het goud - in de vorm zoals we ze gebruiken, in de natuur niet aanwezig! Er is een grote energie voor nodig om ze uit hun 'betovering' te bevrijden. Energie, vooral in de vorm van enorme hitte! Dit laatste is van belang om de gedachte, zoals we die willen ontwikkelen, verder te voeren. De mens heeft in het stenen tijdperk het vuur zeker wel gekend. Een menselijk leven op aarde zonder het vuur is praktisch ondenkbaar. Niet voor niets wordt in de Griekse mythologie de menselijke cultuur ingeluid met de gave van Prometheus: het vuur!

Met deze ontwikkeling van het aardse leven is een ander principe onafscheidelijk verbonden: het steeds meer interesse krijgen voor de aarde, voor het leven op aarde.

Wanneer we de techniek onbevangen beschouwen, moeten we zeggen dat ze er is om menselijke behoeften, verlangens, begeerten, te bevredigen. Men moet daarbij echter een onderscheid maken tussen de latere eeuwen en vroegere tijden. Op het ogenblik kennen we maar al te goed het verschijnsel, dat zogenaamde behoeften gekweekt worden door technische producten, die zelfs gemaakt zijn om die behoefte te doen ontstaan. Gedacht wordt hier vooral aan de modegrillen van technische oorsprong, waarbij de mensen onbewust de Amerikaanse slagzin slikken: zonder dit of dat te bezitten of te doen, telt men niet voor vol!

Wanneer we aan de oudheid denken, zullen we ons toch in een andere sfeer moeten verplaatsen. De leiding van de culturen was in die tijd in handen van individualiteiten, die men in veel hogere mate met wijsheid behept moet denken dan dat in de tegenwoordige tijd het geval is. Waar we ook zoeken in de vroegste tijdperken, altijd vinden we de leidende Koningen, Priesters, Herders, of hoe ze ook genoemd werden, in het bezit van een weten dat de omgeving niet, althans nog niet, bezat. We zijn nu eenmaal helaas te veel gewend ons de oude culturen als uitsluitend primitief voor te stellen, en vergeten wel dat dit ten hoogste op het technisch-materiële vlak gezegd zou mogen worden. Voorzover we uit die oertijden daarentegen overleveringen van religieuze, of kunstzinnige aard hebben, staan we altijd weer verbaasd over de ontzagwekkende inzichten en het verbluffende schoonheidsbesef dat zich toen openbaarde. Aan de ene zijde ligt hier een raadsel, aan de andere zijde juist misschien een oplossing van de vraag hoe de technische cultuur, met name het vervaardigen der metalen, destijds ontstaan kon.

Dat metalen door een toeval uit ertsen bevrijd werden en de mensen er vanuit hun primitieve stadium 'vanzelf' op gekomen zijn, houd ik voor een te simpele hypothese. Oneindig veel begrijpelijker wordt deze ontwikkeling als men merkt hoe zeer het ene volk reeds lang in het bezit was van b.v. het brons, terwijl hele streken der aarde dit nog ontbeerden. Men krijgt dan de indruk dat een bepaald weten, om zo te zeggen gedoseerd, aan de mensen, aan de volkeren gegeven werd met een inzicht en verantwoordelijkheidsgevoel, waarvan we ons nu geen voorstelling meer kunnen maken.

Dit wil niets meer of minder zeggen, dan dat in bepaalde instanties het bestaan (en ook de bruikbaarheid) van het metaal bekend was vóórdat het metaal concreet vervaardigd was! We kunnen ons dat nu doorgaans niet meer voorstellen. Ons denken is te nuchter geworden. Dat mag in de huidige wereld-situatie van groot belang zijn, om het ontstaan der cultuur op aarde te begrijpen moet men echter deze nuchterheid terzijde kunnen stellen, anders blijft men voor volkomen onoplosbare raadsels staan. Zoals het menselijke bewustzijn een ontwikkeling doormaakte van een kosmische georiënteerdheid naar een aardse gerichtheid zo werd het zielenleven van de mensen ook langzamerhand meer en meer met de kennis en de ervaringen in het gebied van het uiterlijke zintuigsleven verbonden. (Zie Albrecht Schaeffer: 'Mythos', Abhandlungen über die kulturellen Grundlagen der Menscbheit, Heidelberg/Darmstadt 1958.)

De mens ontwikkelde in de loop van de eeuwen meer en meer behoeften. Deze behoeften waren een deel van zijn zielenleven. Om de bevrediging daarvan te verwerkelijken moest hij in zijn dagelijkse omgeving over dié materie de beschikking krijgen, die de bevrediging van zijn verlangens, of ook de uitingen van de in hem levende impulsen, mogelijk kon maken. Zo kunnen we in de vroege, nog niet zo overdadige, technische cultuur, langzamerhand verschillende zijden van het menselijke leven in hun ontwikkeling bestuderen, waarbij het gebruik der metalen om zo te zeggen de mens tegemoet komt. In letterlijke zin tegemoet komt, want de metalen moeten uit de ertsen, uit de aarde, uit hun aardse toestand bevrijd worden om voor het menselijk gebruik geschikt te zijn!

Nu bestaat er een, in het algemeen niet opgemerkt, intiem verband tussen de ontplooiing van bepaalde kanten van het zielenleven op aarde en het gebruik van bepaalde metalen. Behoefte, uitvinding en materiaal hangen ten nauwste samen, beïnvloeden elkaar voortdurend. Een man, die een hamer in z'n hand neemt om te timmeren, vertoont evenzeer een behoefte (een zielentoestand) evenzeer een stuk techniek, alsook een demonstratie van de bruikbaarheid van ijzer. Dit plaatst de metalen in een bijzonder daglicht. Omdat er zo veel voor nodig geweest is om ze te vervaardigen, staan ze ook 'zo' dicht 'bij' ons! Ze horen in dit opzicht nog meer bij de mens dan hout of steen dat doen!

De metalen leiden, in de toestand waarin ze door de mens gebracht zijn, slechts een tijdelijk bestaan. Laat men ze aan hun lot over, dan worden ze langzamerhand weer tot datgene, waar ze oorspronkelijk uit tevoorschijn gehaald waren. Door roesten, oxideren, enz. verovert de aarde weer terug wat aan haar kunstmatig onttrokken was. Dat wil zeggen, de glans, de bestendigheid, de smeedbaarheid en de innerlijke samenhang van het metaal worden door roesten, verweren, verkalken, kortom door zijn veraardsen opgeheven. Wilhelm Pelikan beschrijft dit uitvoerig in zijn boek: Die sieben Metalle. Ik zal over zeven metalen spreken, die ik de zeven hoofdmetalen wil noemen. Aan het einde van onze beschouwing zal dan de vraag nog behandeld worden hoe we over de vele andere metalen moeten denken, die we daarnaast nog kennen. Deze hoofdmetalen zijn:

Deze reeks is niet willekeurig. Van boven naar beneden gelezen neemt nl. de geleidingsweerstand voor warmte en elektriciteit af. Weliswaar moet men het kwik hierbij als een uitzondering zien, doch aangezien het kwik in z'n vaste (bevroren) toestand weer wél in dit schema past, kunnen we dit bezwaar voorlopig terzijde leggen. Het zal nog ter sprake komen dat kwik zich in meer opzichten 'opvallend' gedraagt.

Verder bevat deze reeks nóg iets merkwaardigs. Jaren geleden sprak een arts, die deze metalen op een bepaalde manier in zijn therapie gebruikte, eens uit: 'Wanneer ik zo deze zes metalen om het goud heen zie, dan moet ik altijd denken: drie ervan zijn goed en drie ervan zijn mooi. Wanneer ik een patiënt ermee wil gaan behandelen vraag ik me altijd af, of ik hem beter of mooier moet maken'. Ik ben me ervan bewust dat iemand, die op een modern-exact-wetenschappelijk standpunt staat, hiermee niets kan beginnen. Ik moet echter onmiddellijk zeggen dat dit ook absoluut niet exact bedoeld is. Begrippen als 'schoon' en 'goed' vallen volledig buiten het exacte. Ik zou hier zelfs graag het woord 'inact' willen gebruiken, om te accentueren dat men hier te maken heeft met iets dat zich niet in omlijnde voorstellingen laat vangen.

Wanneer we nu de metalen zo gaan bezien dat ze ons hun 'verhaal' gaan vertellen, wanneer we ermee leren omgaan alsof het wezens zijn, zullen we het exacte nog slechts kunnen zien als illustratie en steun, doch nimmer los van het 'inacte'.

Wanneer bovengenoemde arts de zeven metalen karakteriseert als zes metalen om het goud heen, is dit bepaald typerend. Immers, aan de ene kant vinden we lood, tin en ijzer, de grijzige, veel minder glanzende metalen en daartegenover de veel meer glanzende, stralende overige drie. Het goud, dat in het midden staat, moet altijd als een apart metaal beschouwd worden.

We zullen nu beginnen de groepering die aangegeven is zó te ontleden, dat zilver en lood, kwik en tin, koper en ijzer ons als elkaars tegenstelling opvallen. We hebben hier drie paar metalen, die ons op verrassende manier zullen laten zien dat het beeld van het ene steeds het beeld van z'n tegenstelling in evenwicht houdt, in zijn gebruik in de techniek, in zijn eventuele aanwezigheid in het menselijk lichaam en de verdere natuur, in de beelden die we in de mythologie terugvinden.