3. Lood en zilver

We zullen nu eerst lood en zilver gaan beschouwen, omdat we bij kwik en tin op het moeilijkste, hoewel misschien ook wel boeiendste deel van ons onderwerp zullen stuiten. Hoe meer we ons daarvoor in deze zienswijze hebben ingeleefd, des te beter. Bij koper en ijzer hebben we de geologische zijde van het vraagstuk geheel buiten beschouwing gelaten. Er zij op gewezen, dat de plaatsen waar de verschillende metalen gevonden worden, ons veel kunnen onthullen. IJzererts wordt voornamelijk op het noordelijk halfrond gevonden; kopererts wordt in hoofdzaak gewonnen in gebieden om de Stille Zuidzee heen.

Lood is een metaal, dat een duidelijke concentratie heeft op het westelijk halfrond en wel speciaal in de uitgestrekte mijnen van de Andes in Amerika. Zilver is een uitermate verbreid metaal, dat soms in gedegen toestand voorkomt, maar dat o.a. ook in opgeloste vorm als zilverzout in zeewater aanwezig is. Gewonnen wordt het zilver echter hoofdzakelijk uit looderts. De meeste loodertsen zijn zilverhoudend. Ook waar zilver apart van lood gevonden wordt, liggen de vindplaatsen van beide metalen meestal in hetzelfde gebied van de aarde. Er bestaat dus, wat de vindplaatsen betreft, een veel intiemere verhouding tussen zilver en lood, dan tussen koper en ijzer.

Zoals we bij koper en ijzer zonder veel moeite de grote gebieden van de techniek aan konden geven waarin deze metalen zich 'uitleven', zo kunnen we al direct zeggen dat er één technisch gebied is dat een groot deel van het menselijk leven beheerst en waarin de 'functie' van het lood domineert: de boekdrukkunst. Deze is ontstaan vóórdat het lood daarvoor werd gebruikt. De oorspronkelijke letters werden waarschijnlijk uit hout gesneden. Toen het lood echter in ruime mate binnen het bereik van de mensen kwam, kwam het dáár terecht, waar het bij uitstek op z'n plaats zou blijken te zijn. Niet het lood schiep de boekdrukkunst, maar de boekdrukkunst opende de mogelijkheid voor het lood zich op een heel speciale manier kenbaar te maken.

Laten we eerst eens enkele andere toepassingen van het lood trachten te vinden, die ons in staat zullen stellen z'n functie bij het boekdrukken in een ander licht te zien dan men dit gewoonlijk doet. Lood wordt veel gebruikt voor dakbedekkingen (speciaal om hoeken te dichten), voor waterleidingsbuizen en, vroeger althans, voor tubes. Als menie (een loodhoudende verfstof) werd en wordt lood nog wel gebruikt om de ijzeren zeeschepen te beschermen tegen de invloed van het zeewater. Ten slotte heeft lood een veel grotere beschuttende kracht tegen röntgenstralen dan welk ander metaal ook. Zelfs een oplossing van een loodzout, toegevoegd aan de massa waar men glas van bereidt, maakt dat men dit glas kan gebruiken om de omgeving van het te bestralen gebied tegen de schadelijke werking van de röntgenstralen te beschermen. We zouden bij deze toepassingen over een afsluitende functie van het lood mogen spreken. Wat heeft dit echter met de boekdrukkunst te maken?

Wanneer we het gesproken woord neerschrijven staat het er zwart op wit; is dit ook niet een soort afsluiting? Er wordt immers een gedachtenstroom, een woordstroom mee vastgelegd! Vanzelfsprekend gebruikt men het woord 'afsluiten' hier op een andere manier dan zoëven, doch beide betekenissen hebben iets overeenkomstigs, dat als een hoger, samenvattend begrip dat beiden omvat. We zullen dit hogere begrip nu meer en meer trachten te verduidelijken.

De boekdrukkunst heeft dus a.h.w. het lood met z'n afsluitende karakter naar zich toe getrokken. Feitelijk geldt dit afsluiten voor ieder neerschrijven van het concrete woord, dat aanvankelijk nog slechts 'gedacht' was. Elk schrijven is een afsluitingsproces, een tot stilstand brengen van een stroom, een 'loodproces'.

Reeds vóór de drukletter van lood z'n intrede deed gebruikte men lood om mee te schrijven. Ons woord potlood, het Duitse woord 'Bleistift', het Engelse woord 'leadpencil' getuigen daar nog van.

Om nu in onze gedachtengang niet vast te lopen, moeten we een nieuwe richting inslaan, waarbij we het exacte - meer nog dan in de vorige beschouwingen - los moeten laten, terwijl we toch moeten zorgen concreet te blijven. Het vereist enige moed om toe te geven dat 'concreet' en 'exact' niet hetzelfde is. In het kunstzinnige b.v. speelt het concrete een grote rol, wanneer men concreet ten minste als de omschrijving van een sterk leefbare werkelijkheid accepteert, zoals we die in de compositie van een kunstwerk kennen. De wereld van het exacte kunnen we zien als de mogelijkheid om de wereld van het inacte, concrete, te kunnen benaderen.

Lood is een giftig metaal. De huid neemt het reeds bij intensieve aanraking op. Dit is een overbekend feit uit de loodmijnen, de letterzetterijen, kortom uit alle industrieën, die met loodfabricatie te maken hebben. Nu heeft de chronische, langzaam voortschrijdende loodvergiftiging een karakteristiek beeld, waarvan twee dingen het meest kenmerkend zijn: de mensen worden bleek en zij vertonen de symptomen van een snel verval van de lichaamsvitaliteit. Dit wil zeggen, het beeld is te omschrijven als 'een zeer snel ouder worden'. Men heeft niet ten onrechte de chronische loodvergiftiging wel eens een extreem-pathologische 'aderverkalking' genoemd (haar- en tanduitval!). Er vindt een soort verschrompelingsproces plaats van het van te voren 'bloeiende' lichaam.

Ik wil hierbij aanhalen, dat het woord 'bleek' naar z'n taalkundige oorsprong, met het woord 'blauw' en dit weer met het woord 'plumbum', het Latijnse woord voor lood, samenhangt. Het Duitse woord voor bleek is zelfs 'bleich', dat met het woord 'Blei' (lood) samenhangt (Pelikan zegt hierover: Lood dankt z'n naam aan z'n kleur. In het Duits betekent Blei feitelijk het 'blauwachtige'. De oud-Germaanse stam Mbliwom hangt daarmee samen; deze vormt een overgang naar het Griekse Molybdos.) Wanneer we nu nog eens het begrip 'afsluiten' van het lood in ogenschouw nemen, is het dan niet zo, dat ook het verkalkingsproces - dat bij iedereen optreedt - een afsluiting van het leven betekent, van de stroom van het leven die van jong naar oud beweegt? Wanneer men dit afsluiten met 'dood' betitelt, is dan datgene wat er met het schrijven van het gesproken woord gebeurt ook niet een soort dood? We zijn hier al veel dieper in de 'sfeer van het lood' binnengedrongen.

Afsluiten, een doodsproces met zich meebrengen; waar vinden we dat nog meer terug? Is niet elke definitie een doodsproces voor de fantasie; is niet alles wat bepaalt (met 'palen' begrensd!) met hetzelfde element verbonden? Iemand, die alles zo precies weet, noemen we wel iemand met een 'dood' denken. Als men z'n toehoorders met alle geweld van iets wil overtuigen, waarbij misschien hun vrijheid van denken in het gedrang komt, bestaat het gevaar dat men dat alleen kan doen met de allergrootste nadruk, met het grootste 'aplomb'. Aplomb betekent: loodverwant. Het bevat het woord 'plumbum'. Zelfs ons woord 'plomp' - gebrek aan beweeglijkheid -draagt nog iets in zich van wat de mens met z'n oorspronkelijke taalgenialiteit in een woordklank uitdrukte.

U ziet, we hebben het gebied van het materiële lood, al of niet bewust, volledig verlaten. We hebben echter geen enkele afgelegde schrede uit het oog verloren, we weten waar we aan toe zijn en we zullen zien, wat de vrucht van deze wijze van benaderen op den duur kan zijn.

Ook wanneer we het metaal lood als zodanig in handen hebben, spreekt het een zekere taal. Zijn kleur is wel het grauwste van alle metalen. Deze grauwheid ontstaat echter, omdat het bij het aansnijden nog zilverglanzende lood zich onmiddellijk met een laagje loodoxyde bedekt: het 'roest' onmiddellijk, het verbergt zich a.h.w., het sluit zich onmiddellijk af! Daardoor wordt het niet verder door de verwerende krachten van de omgeving aangetast.

Alle bovengenoemde kenmerken zouden de indruk kunnen wekken dat er over het lood op een min of meer antipathieke manier gesproken werd. Zoals later zal blijken, berust dit op een vergissing. De krachten die samenhangen met het afsluiten, het doden, het 'bepalen', zijn onontbeerlijk in de ontwikkeling van het mensenwezen van verleden naar toekomst. We zullen nog andere zijden, vooral ook natuurkundige eigenschappen van het lood, moeten bespreken, maar dit kunnen we het beste doen in z'n verhouding tot het zilver, waar we ons nu eerst mee bezig zullen houden.

 

Zilver vinden we in de techniek op twee zeer belangrijke plaatsen terug: in de toepassing van de spiegels en in de fotografie. Onze huidige cultuurwereld is zonder deze twee elementen al even ondenkbaar als zonder de technische gebieden, waarin de andere - reeds behandelde of nog te behandelen - metalen hun toepassing gevonden hebben. In de loodwereld zagen we als voornaamste kenmerk een afsluiten; in die van het zilver is dit juist omgekeerd. Hier vinden we een openstaan t.o.v. de buitenwereld. Dit wordt duidelijk uitgedrukt door het feit, dat men in de zilver'wereld' in de eerste plaats met een beelden'wereld' te maken heeft: spiegelbeeld; fotografiebeeld. Welk een contrast ligt er echter in deze twee woorden besloten. De spiegel, ondenkbaar zonder het licht. De fotografie, ondenkbaar zonder een donkere kamer, zonder een donkere ruimte in het fotoapparaat. Een duistere zijde en een lichtzijde blijken in de zilverwereld voortdurend met elkaar in afwisseling en in wisselwerking te zijn.

We zullen ons eerst wenden tot de rol van het zilver bij het fotograferen. Het principe van het fotograferen berust op de gevoeligheid voor licht van de met een zilverzout (voornamelijk chloor- en broomverbindingen van zilver) behandelde fotografische plaat. Met hetgeen er nu chemisch gebeurt hebben we wel praktisch te maken, doch niet wanneer we het fotograferen als zilverwereld in het groot willen gaan bezien. Alle beschouwingen, die hier gegeven worden, willen toch vanuit het geheel het detail beoordelen, vanuit de macroscopie de microscopie. Het zilverzout is 'bereid' een beeld te vormen. Dat beeld kies ik uit. Ik moet voor de omstandigheden zorgen waaronder dat mogelijk is, dan voegt het zilver zich daarnaar; het is bereid zich naar elke beeldvorming te voegen.

Dit 'zich voegen naar' kunnen we nu reeds als tegenstelling zien van het bepalende van lood, van de drukletter. Dit 'zich voegen naar' wordt zelfs min of meer uitgedrukt door het gedrag van degene die het foto-apparaat hanteert. Wanneer we iemand met z'n apparaat de goede opstelling zien zoeken, wanneer we een reporter op de onmogelijkste plekjes zien klimmen om met z'n lens een glimp van het begeerde onderwerp op te vangen (het apparaatje waarmee hij dat doet heet zelfs de zoeker), dan kunnen we ook hierin het "zich moeten voegen' zien als een verlengstuk van een eigenschap van de zilverlaag op de plaat!

Men zal zich herinneren, dat we bij het koper ook al dit begrip 'zich voegen' zijn tegengekomen. We zullen het verschil tussen deze vormen van zich voegen nog duidelijk leren kennen. Voorlopig kunnen we al zeggen dat het zich voegen bij het zilver veel 'passiever' bedoeld is, het is veel meer een geheel 'openstaan' voor de omgeving.

Bij de spiegel hebben we met een geheel andere reeks eigenschappen te maken, die zich echter op een verrassende wijze met het voorgaande laten verbinden. Ook bij de spiegel heeft men met beelden te maken, met spiegelbeelden. Zolang een spiegel een spiegel blijft, zal zij bereid zijn alles wat voor haar geplaatst wordt in een beeld weer te geven. In zoverre is het beeld dat ik in de spiegel zie, altijd beweeglijk, veranderlijk, men zou kunnen zeggen 'inconstant'. Spiegelbeelden zijn a.h.w. veel zilverachtiger dan fotografische. Daarbij komt echter nog iets anders. Niet iedereen realiseert zich, dat het zilver als het in een spiegelende toestand is, in feite onzichtbaar is. Wie naar een spiegelend oppervlak ziet, ziet geen spiegel, doch zichzelf.

Er valt echter nog meer over te zeggen. Wanneer iemand voor een spiegel staat, draagt hij min of meer een vraag in zich. De bekende vraag van de boze Koningin in het sprookje van Sneeuwwitje: 'Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de schoonste in het land?' wordt in een of andere vorm door ieder, die in een spiegel kijkt, gesteld. Tegelijkertijd echter treedt er iets op, dat in contrast is met de zoëven aangeduide sfeer van het 'zilverige': het antwoord van de spiegel is onherroepelijk, althans voor het ogenblik. (Hoe dikwijls steekt niet iemand z'n tong uit tegen z'n spiegelbeeld?).

Tenslotte heeft een spiegelbeeld nog iets opvallends: de spiegel geeft behalve ons zelf óók weer wat er ruimtelijk achter ons ligt; overdrachtelijk gesproken: in een spiegel ziet men het verleden, datgene wat onherroepelijk vaststaat en waaraan nooit meer iets te veranderen is. Dit hebben we echter ook bij het lood leren kennen en ook hier merkt men al weer, hoe dicht zilver en lood, ondanks hun grote contrast, bij elkaar zitten. Voorzover een spiegel beelden werpt is zij een voorbeeld van de zilversfeer. Voorzover ze altijd weergeeft wat er reeds is, hoort ze thuis in de loodsfeer.

(Het is wel interessant er hier even aan te herinneren dat men in sommige sprookjes toch ook weer een besef terugvindt van het feit dat het wezen van het zilver in principe iets met het wordende, met de toekomst te maken heeft en wel in het optreden van een spiegel waarin men de toekomst kan zien, b.v. doordat men erin kan zien hoe men er zelf later uit zal zien).

Het begrip: 'vraag en antwoord' verschijnt, als we het voegende en zoekende als tegenstelling van het bepalende en beslissende van een antwoord zien. Zoeken, zich voegen, vragen, zijn elk in hoge mate iets soepels, iets beweeglijks, iets wordends. Met het vinden, het begrenzen, het antwoorden, komt deze beweeglijkheid tot rust. Vraag en antwoord zijn met recht weer een beeld van 'zilver en lood'. Dat de zilverwereld, die hier is aangeduid, zich daarbij tevens met de loodwereld verbindt, maakt het geheel nog boeiender. Het bepalende, vaststellende, antwoordende, wat in de letter-loodwereld leeft, is immers het volledige tegenbeeld van de voor alles openstaande vraag. Men spreekt zelfs van een 'open' vraag. Het eerstgenoemde ligt helemaal in de zichtbare belichte wereld.

Toen over het vinden en bereiden van het zilver en lood werd gesproken, zagen we reeds, dat looderts en zilvererts vaak in dezelfde streek gevonden worden en dat looderts vrijwel altijd zilverhoudend is. Ze zijn om zo te zeggen voor- en achterzijde van elkaar, evenals dit met duister en licht, vraag en antwoord het geval is.

Door de fotografie wordt een vastgelegd beeld 'gefixeerd'. Door het ontwikkelen wordt het zichtbaar. Er is geen sprake meer van zoeken, voegen of vragen; het is in de wereld van het gedrukte, het 'uitgedrukte' terechtgekomen, d.w.z. in de sfeer van het lood. Het 'zilver' handhaaft zich in de fotografie slechts korte tijd. Het 'lood' komt al spoedig z'n rechten opeisen. Een spiegel is veel meer een 'zilver'artikel, doch draagt, zoals we gezien hebben, tenslotte ook z'n tegenhanger onverbrekelijk met zich mee.

In welke gebieden van ons zieleleven spelen nu vraag en antwoord een overheersende rol? Waar stellen het beweeglijke zich voegende, zoekende en het duidelijke, exacte, zich tegenover elkaar? In datgene wat we uitdrukken met de woorden: fantasie en weten, kunst en wetenschap. De kunst is, hoe dan ook, in de eerste plaats altijd een beeldenwereld, de wetenschap een boekenwereld.

Hoewel het metaal zilver zo ongiftig is als het lood giftig -men kan een zilveren sieraad op de blote huid dragen, men kan zilveren pennen in het lichaam dragen zonder er veel last van te hebben - kent men, met name in de homeopathie, het beeld van een kunstmatig opgewekte chronische zilververgiftiging.

Of men voor deze richting van de geneeskunde iets voelt of niet, of men haar enige waarde toekent of niet, speelt hier absoluut geen rol. De ervaring, die homeopaten opgedaan hebben na het langdurig innemen van kleine hoeveelheden zilver, is duidelijk beschreven en reproduceerbaar. Met een enkele trek weergegeven komt het 'homeopathisch zilverbeeld', zoals men dit pleegt te noemen, neer op een sterke bloedaandrang naar het hoofd, met een gevoel van spanning; men voelt z'n hart 'overal kloppen', het bewustzijn wordt wat doezeliger, de zintuiglijke indrukken worden onscherp. Het beeld doet sterk denken aan een lichte, kunstmatig opgewekte koorts.

Wie het beeld van de bij de loodvergiftiging beschreven 'aderverkalking' voor zich heeft, zal het onmiddellijk opvallen, dat dit in evidente tegenstelling is tot de indruk die b.v. een koortsig kind op ons maakt. Van iemand met flinke koorts krijgt men de indruk dat hij er wat vager uitziet. Het interessantste zijn echter de mensen die gaan ijlen. 'Fantasieren' heet dat in het Duits en inderdaad, de vloeiende, steeds wisselende fantastische koortsbeelden kunnen we als een in de mens ontstane beeldenwereld herkennen, zoals die bij de gezonde mens als uiting van zijn fantasiekracht optreedt.

Tot in onze lichaamsstructuur toe kunnen we een zilver- en loodproces ontdekken. In de bouw van het menselijk lichaam kunnen we twee tegengestelde principes onderscheiden. Aan de ene kant een in beginsel amorfe stofstroom van stofwisselingsproducten, waaruit ons lichaam opgebouwd zal worden en die nog in het geheel niet de kenmerken dragen van die bijzondere materie waaruit onze organen en weefsels tenslotte opgebouwd zijn. Aan de andere kant hebben wij te maken met een vormende invloed die deze stofstroom voortdurend opvangt, bepaalt en begrenst. Deze twee principes hebben samen de anatomische structuur van ons hele lichaam tot resultaat.

Zo eenvoudig als dit hier even wordt beschreven, zo moeilijk is het, om zich er een concrete voorstelling van te vormen. Wij hoeven echter niet zo ver te gaan; het is voldoende om te begrijpen dat het hele spijsverteringsproces een chaotische, in hoge mate ongedifferentieerde materie tot resultaat heeft en dat deze materie in haar wording tot 'mensenvorm' telkens gefixeerd wordt. Men moet zich alleen voorstellen, dat 'tot een bepaalde vorm komen' niet betekent 'een bepaalde contour krijgen', doch dat de verschillende lichamelijke orgaan- en weefselsubstanties, zoals we die in de fysiologie kennen, even zo vele 'vormen', 'structuren' zijn waarin de aanvankelijk chaotische massa gedifferentieerd is. Men kan ook spreken van een stroom van binnen naar buiten (dit als principe bedoeld), die bereid is zich voortdurend te voegen naar een 'bepalende' invloed. Wij vinden hier de twee beschreven tegenstellingen alweer terug.

Als verder voorbeeld van 'het vragen', zoals hierboven bedoeld, zou ik de voor bevruchting in aanmerking komende eicel willen noemen. Welk wezen, welk wordend mensenkind hieruit zal kunnen ontstaan, wordt pas vastgelegd bij de bevruchting. Zoals in de fotografie het eigenlijke zilverstadium slechts uiterst kortstondig is en maar al te gauw wordt afgelost door het ingrijpende en 'bepalende' loodproces, zo is ook het zuivere 'zilverbestaan' van de kiemcel uiterst kortstondig. Het duurt slechts enkele dagen, namelijk de korte tijd dat de kiemcel uit het gerijpte z.g. Graafse follikel (in het ovarium) vrijkomt en zich door de eileider naar buiten toe beweegt.

Op deze weg vindt de bevruchting door de mannelijke zaadcel plaats. Daarvoor treffen we in de eicel een toestand aan, die we het beste kunnen beschrijven als een maximale ontvankelijkheid. De eicel kan nog van alles worden, niets is nog vastgelegd. Het zou echter fout zijn om hier te menen, dat met de bevruchting het hele leven al vastgelegd zou zijn. Dit zou voor een dier min of meer zo kunnen gelden. Bij een mens hangt de verdere levensloop voor alles af van datgene, wat de mens zelf in en met de gegeven omstandigheden doet. In zoverre is het 'morgen' altijd weer een vraag, het 'gisteren' het onherroepelijk achter ons liggende. Vraag en antwoord worden in de menselijke levensloop tot toekomst en verleden. Zowel wat het lichamelijke als het zielenleven betreft kan men zeggen dat in de jeugd het zilvergebaar, in de ouderdom het loodgebaar overweegt. Zo kunnen we in het hele leven al twee beschreven polariteiten herkennen.

Zoals kinderen in hun kringspelletjes de koper- en ijzerwereld spelen, zo spelen ze 'zilver en lood' in hun vraag- en antwoordspelletjes: in het raadseltjes opgeven! Een bepaalde tijd van hun leven zijn kinderen hier dol op, doch let wel: op het raadsel, niet op het antwoord. Een kind, dat nog in hoge mate 'zilvert', kan eindeloos blijven vragen; bij ieder antwoord staat het feitelijk onmiddellijk met een nieuwe vraag klaar. Een volwassene zal het niet in z'n hoofd halen om een eens beantwoorde vraag nog eens te stellen. Hoe verrassend onbegrijpelijk, maar hoe ontroerend is het dan om kinderen daarentegen elkaar (en ons) steeds weer dezelfde raadseltjes te horen opgeven!

Een geschiedenis heeft een begin en een eind. Aan het eind van een verhaal 'krijgen ze elkaar' en als we dat eenmaal weten, is de aardigheid er eigenlijk af. Waarom kan dan een kind dozijnen malen naar een sprookje luisteren met dezelfde aandacht, zonder dat het hem gaat vervelen? Er zijn natuurlijk verschillende antwoorden op deze vraag en ze zullen allen een element van het werkelijke antwoord kunnen bevatten. Maar zeker is: kinderen leven in het worden, in de fantasie, in het vragen en zoeken, in het 'zilveren'. Ze zoeken eigenlijk het antwoord niet, ze vragen om te vragen.

Als we alle elementen, die de zilver- en loodwereld in zich draagt, nog eens overdenken, zullen we een synthese kunnen vinden die het door ons opgeworpen probleem van het onbepaalde en het bepaalde illustreert.