Het citaat van de dag

Op aarde moet de ontwikkeling zo plaatsvinden, dat wat als iets geestelijks in mij leeft, gaandeweg het hele stoffelijk bestaan omvormt.

(…) Terwijl de mensen van incarnatie tot incarnatie voortschrijden, zal gaandeweg in alles wat ze uiterlijk verrichten, het spirituele instromen dat afkomstig is van het Mysterie van Golgotha, -tot in het Vader-principe toe– zodat de hele uiterlijke wereld doorstroomd zal zijn van het Christus-principe.

De mensen zullen de gelatenheid overnemen in hun leven, die van het kruis op Golgotha verkondigd is en die voor de toekomst het beste doet hopen, het ideaal, zoals het klonk: ”ik laat in mezelf het geloof ontbloeien, laat de liefde in me ontstaan; dan zullen geloof en liefde in mij leven en ik zal dan weten, dat ze alles zullen doordringen als ze sterk genoeg zijn.

Ik zal dan ook weten, dat het Vader-principe in mij ervan doordrongen zal zijn. De hoop op de toekomst der mensheid zal zich voegen bij ”geloof” en ”liefde”; dan zullen de mensen begrijpen, dat ze zich in de toekomst deze gelatenheid eigen moeten maken, waardoor ze zeggen kunnen: ”Als ik slechts het geloof en de liefde bezit, dan mag ik de hoop koesteren, dat het deel van Christus Jezus, dat ik in me draag, gaandeweg ook buiten mij werkzaam zal worden”.

Dan zullen de mensen de woorden begrijpen, die als een groots ideaal van het kruis geklonken hebben, Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest.” (Lukas 23-46)

Rudolf Steiner, Bazel 26 september 1909

GA. 114 Das Lukas-Evangelium. (Het Lukas Evangelie, uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Wie vandaag de dag de krant leest, kan het regelmatig meemaken dat hij op elke pagina iets leest dat niet waar is. Achteraf blijkt dan dat het niet waar was. Voor dergelijke dingen zijn, geloof ik, de meeste mensen al afgestompt, ze nemen waarheid of leugen beide in onverschilligheid op. Als mensen hiervoor echt afgestompt zijn, en waarheid en leugen op dezelfde wijze opnemen, dan zullen zij de geestelijke wereld niet kunnen betreden.

(…) Wanneer de mensen de geestelijke wereld willen leren kennen, moeten zij ertoe komen bij een onjuiste zaak zielepijn, en bij een juiste zaak zielevreugde te ervaren. Over de waarheid zou men zich zo moeten verheugen alsof men van iemand een miljoen geschonken krijgt!

Zo moet men zich kunnen verheugen wanneer men een waarheid te horen krijgt en zo moet men innerlijk, in de ziel, kunnen lijden wanneer men ontdekt dat men voorgelogen wordt –zoals het lichaam lijdt wanneer het ernstig ziek is. De ziel moet niet ziek worden, maar moet pijn of vreugde ervaren, zoals het lichaam ziekte ervaren kan of juist een weldadig gevoel. Dat wil zeggen dat men de waarheid moet ervaren zoals men vreugde en gelukzaligheid in het dagelijkse leven ervaren kan, en men moet het onware zo pijnlijk ervaren, innerlijk zoveel pijn beleven, zoals men anders van verstoringen in het lichaam ziek kan worden.

Het betekent dat wanneer iemand je een pak vol leugens heeft verkocht, dan moet je kunnen zeggen: Wel verdorie! Die heeft mij knollen voor citroenen verkocht! – dat moet echter wel innerlijk waar zijn. Als we nu in onze tijd de pers bekijken, dan moeten we onder ogen zien dat we voortdurend knollen voor citroenen verkocht krijgen. Wie daaronder gezond wil blijven moet voortdurend innerlijk ’spugen’. Omdat we echter nu eenmaal nauwelijks zonder kranten kunnen, moeten we –wanneer we de geestelijke wereld willen betreden– onszelf aanleren dat de krant ons een vieze smaak geeft en dat we, wanneer we iets lezen dat betekenis heeft, waar een mens zich innerlijk geeft, vreugde ervaren, zoals we een vorm van vreugde kunnen ervaren van iets dat goed smaakt.

De waarheid en het streven naar waarheid moet ons goed smaken, en de leugen moet bij ons een bittere, giftige smaak oproepen. Oordelen hebben een kleur, dat moeten we leren. Maar we moeten ook weten dat drukinkt ons meestal knollen voor citroenen geeft. Dat moeten we in alle eerlijkheid en oprechtheid kunnen beleven. Dat brengt ons tot geestelijke verandering.

Mensen praten over de uiterlijke alchemie en menen dat de alchemist koper in goud kan veranderen. Allerlei charlatans willen ons dat nog steeds laten geloven; en goedgelovige mensen hebben het altijd geloofd. In de geest zijn deze dingen echter wel mogelijk; alleen moet men wel in de waarheid van de geest geloven. De drukinkt die drukkers gebruiken is materieel gezien overal dezelfde, of met die inkt nou een boek vol waarheid of een krant vol leugens gedrukt is geworden. In het ene geval is de inkt als een giftige leugen, in het andere geval als vloeibaar goud. -Voor de geest zijn de dingen die in de fysieke wereld gelijk zijn, geheel verschillend.

Rudolf Steiner, 22 september 1923

GA 350. Rhytmen im Kosmos und im Menschenwesen

John Hogervorst, citaat van de dag

afdrukken


Welke individualiteit ook naar de aarde afdaalt, zij moet zich ontwikkelen in overeenstemming met de vermogens die het lichaam kan geven waarin zij zich incarneert. Daarmee moet dit wezen rekening houden.

(…)een dergelijk wezen dat op een hoog niveau van wijsheid staat, moet van de kindertijd af zijn lichaam erop voorbereiden om op een bepaald tijdstip te laten verschijnen wat hij eenmaal in vorige incarnaties is geweest. Als een dergelijk wezen de taak heeft om in de mensen heel bijzondere gevoelens op te wekken, dan moet de aardse incarnatie daarmee in overeenstemming zijn. Want het lichaam moet kunnen uithouden wat de opdracht van dit wezen vereist. In de werelden van de geest zien de dingen er waarachtig heel anders uit dan in de fysieke wereld. Als een wezen de genezing van de smart, de verlossing van het leed wil verkondigen, moet het de volle intensiteit van het leed doormaken om de juiste woorden te vinden die mensen ook kunnen verstaan.

Wat het wezen dat zich in het lichaam van de Nathanische Jezus verborg later te zeggen had, dat was tot de hele mensheid gericht. Het was iets dat de mensheid moest uittillen boven alle oude, beperkte bloedverwantschap. Het moest de bloedverwantschap niet wegnemen, niet afschaffen wat tussen vader en zoon, tussen broeder en zuster bestaat. Maar het moest aan de liefde die gebonden is aan bloedverwantschap datgene toevoegen wat men algemene mensenliefde noemt, wat van ziel tot ziel tot ziel werkt en verheven is boven alle banden van het bloed. Dat moest dit wezen brengen dat zich later in de Nathanische Jezus openbaarde. Het moest liefde brengen, het verdiepen van de liefde die niets te maken heeft met wat gebonden is aan verwantschap door het bloed.

Daartoe moest dit wezen dat in het lichaam van de Nathanische Jezus leefde, eerst zelf op aarde ervaren wat het betekent geen banden te hebben, niet via het bloed met anderen te zijn verbonden. Dan alleen kon het zuiver voelen wat er tussen twee mensen weeft.

(…)Alle diepgaande smart die men kan voelen moest deze individualiteit ervaren, de smart van een mens die afscheid moet nemen van wat hem vertrouwd is in het leven, die geheel alleen moet staan. Levend in deze grote eenzaamheid, losgescheurd van alle familiebanden moest de individualiteit spreken die in de Nathanische Jezus leefde. Wie was dit wezen?

Wij weten dat dit het wezen is dat ongeveer tot zijn twaalfde jaar in de Salomonische Jezus leefde. Het is de individualiteit, de geest van Zarathoestra wiens ouders, de Salomonische vader en de Salomonische moeder waren . Zijn vader was echter vroeg gestorven, de jongen moest opgroeien zonder vader. Hij verlaat dit gezin (sterft) als hij twaalf jaar oud is, doet dan afstand van zijn moeder, broers en zusters, verlaat ook zijn eigen lichaam, om over te gaan in het lichaam van de Nathanische Jezus.

(…)Tot deze gestalte voelen wij ons aangetrokken, als iemand die ons menselijk nabij komt –deze gestalte die uit verre geesteshoogten afdaalt en menselijke ervaringen en menselijk lijden tot uitdrukking brengt.

Rudolf Steiner, 20 september 1909

GA 114. Das Lukas-Evangelium (Het Lukas Evangelie, uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Christus wijst het volk op bepaalde hoogst belangrijke feiten in het wereldgebeuren en de ontwikkeling van de mensheid door middel van gelijkenissen, door middel van beelden; dit wordt immers ook in het evangelie naar Marcus zo grandioos en eenvoudig verteld. En dan wordt er gezegd: wanneer hij met zijn naaste leerlingen alleen was, legde hij hun deze beelden uit. Bij Marcus wordt ons hiervan ook een keer een bijzonder voorbeeld gegeven, hoe tot het volk in beelden wordt gesproken en hoe dit daarna wordt uitgelegd aan de naaste leerlingen.

”En hij leerde hun vele dingen in gelijkenissen, en hij zeide tot hen in zijn onderwijs: Hoort, Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. En het geschiedde bij het zaaien, dat een deel langs de weg viel, en de vogels kwamen en aten het op. En een ander deel viel op steenachtige bodem, waar het niet veel aarde had, en terstond schoot het op, omdat het geen diepe aarde had. Maar toen de zon opging, verschroeide het, en omdat het geen wortel had, verdorde het. En een ander deel viel in de dorens en de dorens kwamen op en verstikten het en het gaf geen vrucht. En het overige viel in goede aarde en opkomende en uitstoelende gaf het vrucht, en het droeg tot dertig-, zestig- en honderdvoud toe. En hij zeide: Wie oren heeft om te horen, die hore.

En toen hij (met hen) alleen was, vroegen zij die in zijn omgeving waren met de twaalf, hem naar de gelijkenissen.” (Marcus: 4:2-10)

En zo spreekt hij tot zijn naaste leerlingen:

”De zaaier zaait het woord. Dit zijn degenen, die langs de weg zijn: waar het woord gezaaid wordt, en zodra zij het horen, komt terstond de satan en neemt het woord, dat in hen gezaaid is, weg. En evenzo zijn, die op steenachtige plaatsen gezaaid worden, degenen, die zodra zij het woord horen, het terstond met blijdschap aannemen. Doch zij hebben geen wortel in zich, maar zijn mensen van het ogenblik; wanneer later verdrukking of vervolging komt omwille van het woord, komen zij terstond ten val. En een ander deel zijn degenen, die in dorens gezaaid worden: dit zijn zij, die het woord horen, maar de zorgen van de wereld en het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere komen erbij en verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar. En dit zijn degenen, die in goede aarde gezaaid zijn: zij, die het woord horen en in zich opnemen en vrucht dragen, dertig- en zestig- en honderdvoud.” (Marcus 4: 14-20)

Hier wordt ons volledig weergegeven hoe Christus Jezus onderwees. Hij droeg de filosofie van de hemel naar de aarde, omdat hij een beroep deed op het gewone aardse verstand.

(…) Hoe stond nu Christus Jezus tegenover zijn leerlingen? Tegenover het volk stond hij anders, dit onderwees hij in gelijkenissen, maar zijn leerlingen, degenen die hem na stonden, legde hij de gelijkenissen uit door hun te vertellen wat zij konden inzien, wat rechtstreeks voor het menselijk verstand toegankelijk was.

Rudolf Steiner, 18 september 1912

GA 139. Das Markus-Evangelium (Het evangelie naar Marcus Esoterische achtergronden, uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Wij merken tegenwoordig dat mediums, ook al lijken ze eerst geschikt om iets geestelijks door te geven, aan invloeden blootstaan die moreel zeer bedenkelijk zijn. Omdat er bij mediums een zekere discrepantie optreedt tussen wat ze openbaren en wat ze zijn, kunnen ze uiteindelijk vaak niet meer de waarheid van de leugen onderscheiden, en dat kan zich uitstrekken tot een gebied waarbij moraliteit en immoraliteit niet meer uit elkaar gehouden worden.

Een mens wordt medium, doordat door krachten van buitenaf het ik en het astrale lichaam uit het fysieke en het etherische lichaam worden getrokken. Maar op het moment dat bij het medium het ik en het astrale lichaam uit het fysieke en etherische lichaam getrokken zijn, zit er ook al een andere macht in de ik en astrale lichaam. Al naar gelang de initiator die zoiets bewerkt, goede of slechte bedoelingen heeft, kan deze macht goed of kwaad zijn.

Als het medium weer terugkomt in het fysieke lichaam, wat gebeurt er dan? Kijk, de logica die je in de fysieke wereld hebt om in de fysieke wereld leugen en waarheid te kunnen onderscheiden, die kun je in de geestelijke wereld niet hanteren. Het is absoluut een misvatting om te denken dat je de begrippen van leugen en waarheid die je in de fysieke wereld terecht nodig hebt, ook in de geestelijke wereld kunt toepassen.

In de geestelijke wereld is er niets wat je op zo’n manier zou moeten onderscheiden. Daar zijn wezens die goed zijn en wezens die slecht zijn. Je moet ze uit jezelf herkennen, want ze zeggen je niet welk soort ze zijn. Maar ook de slechten zijn op hun manier waar. Natuurlijk is dat moeilijk te begrijpen, zoals trouwens alles moeilijk te begrijpen is wat ons bij het betreden van de geestelijke wereld tegemoetkomt.

En zo is in werkelijkheid niets van de logica die we hier in de fysieke wereld enorm nodig hebben, in de geestelijke wereld bruikbaar.

Daarom moet de ware geïniteerde een bepaalde zielengesteldheid hebben om te schouwen in de geestelijke wereld. Hij moet er zich volledig verantwoordelijk voor voelen dat hij op het ogenblik dat hij weer in de fysieke wereld terugkeert met fysieke begrippen moet werken.

Dat kan het medium niet omdat het niet bewust de geestelijke wereld binnengaat. Als het weer terugkomt nemen het ik en het astrale lichaam weer bezit van het fysieke en etherische lichaam met een denkrichting die wel juist is voor de geestelijke wereld, maar die het hele morele voelen en beleven dat voor de fysieke wereld geldt, corrumpeert. Daarom is het medium gecorrumpeerd ten aanzien van waarheid en leugen, en dat werkt dan overal in door.

Rudolf Steiner, 15 september 1924

GA 346. Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken Apokalypse und Priesterwirken (Apocalypse en priesterschap, uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


In de bovenzinnelijke wereld worden op de meeste intensieve wijze de Michaël-impulsen voorbereid, die juist in ons tijdperk als het ware van de hemel naar de aarde zijn gebracht… Met ons bewustzijn van de huidige tijd moeten we aansluiten bij wat zich in de laatste eeuwen in de bovenzinnelijke wereld heeft afgespeeld.

(…) In alles wat zich op geestelijk gebied afspeelt, zijn immers niet alleen de zielen werkzaam die vandaag de dag op aarde zijn geïncarneerd, maar ook andere zielen die zich nu tussen de dood en nieuwe geboorte bevinden en de stralen van hun werkzaamheid naar de aarde zenden. In onze eigen daden liggen de impulsen van zulke zielen. Het werkt immers allemaal samen, net zoals de aardse daden zich op hun beurt tot in het hemelse gebied uitstrekken en daar verder werkzaam zijn.

Rudolf Steiner, 12 september 1924

GA 238. Citaat en vertaling uit: “Rudolf Steiner en de grondvesting van de nieuwe mysteriën” door Sergej O.Prokofieff (Uitgeverij Perun Boeken)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Eénmaal moest het in de loop van de ontwikkeling van de aarde voor de hele mensheid gebeuren dat Christus, die de mensen vroeger alleen als de geest van de zon konden schouwen, afdaalde en zich daardoor kon verbinden met de krachten van de aarde.

( …) Eerst innerlijk, maar dan ook steeds meer op een zichtbare manier, zullen de mensen die het aan willen gaan, zichzelf vervullen met de Christus­kracht. Zo zal de mens van de toekomst het wezen van Christus niet alleen begrijpen maar zich er ook mee vervullen.

(…) We gaan een periode tegemoet waarin werkelijk in een helemaal niet zo verre toekomst eerst een klein aantal mensen, maar dan steeds meer mensen de gedaante van Christus zullen kunnen schouwen, nu echter in de etherische, niet in de stoffelijke wereld. Niet zozeer door een geestelijke scholing maar door de graad van ontwikkeling die de mensheid op aarde bereikt, zullen ze hem zo kunnen zien.

Eenmaal was hij in een fysieke gedaante te zien, omdat de mensen die op het fysieke plan leefde dit eenmaal moesten meemaken. Maar de Christus-impuls zou zijn doel gemist hebben als hij, voortwerkend, zich niet verder zou ontwikkelen. We gaan een tijd tegemoet –ik kan dit slechts als een mededeling uitspreken– waarin de hogere krachten van de mensen Christus zullen kunnen schouwen.

(…) Zij zullen door hun innerlijke ervaring weten wie Christus is, die hun zal verschijnen vanuit de etherische ’wolken’. Dat is een soort wederkomst
van Christus in een etherisch kleed.

Rudolf Steiner, 10 september 1910

GA 123. Das Matthäus-Evangelium (Het evangelie naar Mattheüs - Esoterische achtergronden, uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


AntroVista
Citaat van de dag in samenwerking met Antrovista: www.antrovista.com