Het citaat van de dag

Michael staande in de harten van de mensen, onder zijn voeten wat eens ahrimanisch schrijverschap zal zijn.

Door de mensenzielen die voorbestemd waren om Antroposoof te worden, werd in de bovenzinnelijke wereld iets beleefd, dat vroeger nimmer door mensenzielen in de bovenaardse regionen tussen dood en nieuwe geboorte beleefd werd. Vroeger beleefden de mensenzielen hoe in de tijd tussen dood en nieuwe geboorte samen met leidende geestelijke wezens het karma voor het komende bestaan op aarde werd uitgewerkt. Maar zoals nu het karma werd uitgewerkt van degenen die door de genoemde factoren waren voorbestemd om Antroposoof te worden, zo werd vroeger geen enkel karma uitgewerkt. Nimmer werd er vroeger tussen dood en nieuwe geboorte in het zonnegbied zo gewerkt als thans onder de heerschappij van Michael gewerkt kon worden, nu deze vrij was van aardse aangelegenheden.

Er speelde zich daar toen iets af, wat voor de bovenzinnelijke gebieden toendertijd werkelijk een gebeurtenis was; iets wat tegenwoordig diep in de harten van de meeste Antroposofen, zij het onbewust, slapend, dromend rust. Een Antroposoof doet er juist aan, indien hij naar zijn hart wijzend zegt; daar binnen leeft mogelijk een voor mij onbewust geheim, dat een afspiegeling is van de daden van Michael uit de 16e, 17e, 18e eeuw in bovenaardse gebieden, waar ik voorafgaand aan mijn huidige afdaling naar de aarde onder Michael gewerkt heb, die daar iets bijzonders tot stand kon brengen, omdat hij als het ware vrij was geworden van zijn reguliere opgaven.

–Michael verzamelde zijn scharen om zich heen, verzamelde allen die als bovenzinnelijke wezens bij hem hoorden uit de regionen van de Angeloi, Archangeloi; hij verzamelde ook de mensenzielen, die op een of andere manier een verbinding met hem hadden gekregen. Er ontstond zoiets als een groots uitgebreide bovenzinnelijke school. Zoals er aan het begin van de 13e eeuw als het ware een concilie had plaats gevonden met hen die als Platonici en Aristotelici konden samenwerken, zo verwerkelijkte zich thans onder directe leiding van Michael een bovenzinnelijke school van de 15e tot in de 18e eeuw, waartoe de wereldordening, Michael zelf als grote leraar had aangewezen, Een scholing waarvan deze mensenzielen het resultaat thans in hun zielen dragen, onbewust. Het resultaat van deze scholing komt alleen daardoor aan het licht, dat deze mensenzielen een drang naar Antroposofie ervaren. Deze drang naar Antroposofie is het resultaat van die scholing

(…) Wat Michel onderwees in de grote omvangrijke hemelse school, was iets onvoorstelbaars – iets dat de Ahrimanische demonen op aarde, met name in de 15e, 16e 17de tot in de 18de eeuw tot op het merg verontrustte; het veroorzaakte een verschrikkelijke opwinding bij hen, zodat zich iets opmerkelijks afspeelde; er speelde zich iets af wat een polaire tegenstelling tussen hemelse en aardse daden in die tijd tot gevolg had. – Daar boven in de geestelijke wereld een verheven school, die op een nieuwe wijze in de bovenzinnelijke wereld (de oude wijsheid samenvat). Een school die bij de in eerste instantie daartoe voorbestemde mensenzielen tussen dood en nieuwe geboorte in het intelligente bewustzijn, in de bewustzijnsziel opriep, wat voorheen, in vroegere tijden in de verstands- of gemoedsziel, in de gewaarwordingsziel, enzovoort, wijsheidsgoed van de mensen was geweest. Zette Michael; de wereldsamenhangen voor de zijnen uiteen. Deze zielen ontvingen een lering die de wereldgeheimen onthulde; beneden op aarde werkten de ahrimanische geesten.

Het is een goddelijk geheim, dat de Antroposofen niettemin moeten kennen om, zoals ik heb aangeduid, de beschaving van de 20ste eeuw te leiden.

Terwijl Michael daarboven zijn scharen onderwees, werd er een soort onderaardse ahrimanische school opgericht, die direct onder het oppervlak van de aarde lag..Wij kunnen daarom zeggen, dat in het bovenaardse de Michael-school is; in het gebied waar wij onmiddellijk boven op staan – want ook in het onderaardse zijn geestelijke krachten werkzaam en aktief – werd de ahrimanische tegenschool opgericht. Nu er juist in die tijd van Michael geen impulsen omlaag stroomden om de intelligentie vanuit de hemel te inspireren en de intelligentie op aarde aan zichzelf werd overgelaten, beijverden de ahrimanische scharen zich des te meer om van onder op impulsen in de intelligente mensheidsontwikkeling binnen ter stralen. - Het is een groots beeld dat ons voor ogen kan treden. Wij moeten ons het aardoppervlak voorstellen, daarboven Michael die zijn scharen onderricht, hen in grootse, geweldige wereldwoorden onthult wat ooit de oude inwijdingswijsheid was. Daar tegenover de ahrimanische school in de ondergronden van de aarde. Op de aarde zelf ontwikkelt zich de uit de hemel omlaag gevallen intelligentie. Michael, die vooreerst ten opzichte van het aardse in hemelse eenzaamheid zijn school voert – er voeren geen stromen van boven naar beneden…de ahrimanische machten die des te krachtiger hun impulsen omhoog zenden!

Er zijn steeds op aarde zielen belichaamd geweest die in de betreffende eeuwen het onverkwikkelijke van deze situatie aangevoeld hebben. Want wie de Michaelwijsheid moet verkondigen, voelt als het ware dat hij in de juiste positie verkeert, als hij worstelt om een uitdrukkingsvorm, een formulering te vinden voor de wijsheid. Hij voelt zich zelfs nog in de juiste positie, indien hij deze Michalwijsheid, uitstromend door zijn handen, neerschrijft. Want dan stroomt wat van geestelijke zijde met de mens is verbonden, als het ware binnen in de vorm van het geschreven woord, in dat wat hij doet. Echter, hoewel het verdragen moet worden, hoewel het bij onze tijd hoort, is het een onverkwikkelijk gevoel om de Michaelwijsheid, die men nog wel graag opschrijft en de mensen om te lezen dan ook aan kan reiken, om te zien hoe deze wijsheid op mechanische wijze vermenigvuldigd wordt in het gedrukte woord. Dit onverkwikkelijke gevoel met betrekking tot het gedrukte woord treedt zondermeer op bij iemand die met alles wat hij te verkondigen heeft in het geestesleven staat.

(…) Uit de boekdrukkunst kunnen de demonische machten tevoorschijn spruiten, die nu juist de geschiktheid hebben om de heerschappij van Michael te bestrijden.

Wat werkelijkheid is in het leven moet in zijn ware betekenis doorzien worden, als men Antroposoof is. In de boekdrukkunst dienen wij een geestelijke macht te zien, maar dan wel de geestelijke macht die door Ahriman tegenover Michael geplaatst wordt. Vandaar de aanhoudende maning van Michael aan degenen die hij in zijn school onderrichtte…de aanhoudende maning: “Wanneer jullie opnieuw op aarde komen, om te doen waarvoor hier de aanzet gegeven wordt, verzamel de mensen dan om je heen en verkondig het belangrijkste van mond tot oor – beschouw het niet als het belangrijkste dat enkel door het gedrukte woord een ‘literaire’werkzaamheid in de wereld wordt uitgeoefend’. Daarom ligt de intiemere wijze om van mens tot mens te werken, meer in de lijn van Michaels werkzaamheid.

Als wij ons, in plaats van enkel door met boeken te werken, verenigen en de belangrijkste impulsen op een menselijk-persoonlijke manier opnemen en het andere enkel als een soort ‘geheugensteun’ gebruiken, om toch ook met de Ahrimanische tijdgeest rekening te houden – omdat het zo moet zijn, want anders zou Ahriman ook weer een ongekende heerschappij verwerven, als wij zijn kunst niet zouden bemachtigen. Gaan wij er zo mee om, dat wij het gedrukte woord niet alleen maar uitpersen, maar het in een juiste verhouding brengen tot het op een direct menselijke manier werkt, dan inauguren wij wat als iets onaantastbaars vooreerst als Michaelstroming door de antroposofische vereniging zou moeten stromen.

Het zou niet juist zijn, om op grond van dingen zoals ik zoëven heb uitgesproken, nu stellen: ‘Laten we alle antroposofische boeken dan weg doen!”Daardoor zouden wij de boekdrukkunst juist aan de krachtigste vijanden van Michaelwijsheid uitleveren en wij zouden daardoor de voortzetting van onze antroposofische werkzaamheid, onmogelijk maken. Door een heilige gezindheid ten opzichte van alles wat er in de Michaelwijsheid leeft, moeten wij de boekdrukkunst veredelen! Want wat wil Ahriman door de boekdrukkunst te opzichte van Michael bereiken? Hij wil – en wij kunnen het tegenwoordig overal te voorschijn zien schieten – de intelligentie veroveren, een verovering van de intelligentie die zich vooral wil manifesteren overal waar de omstandigheden daar gunstig voor zijn.

Het werkzame element ligt hierin besloten, dat deze ahrimanische geesten op momenten dat het bewustzijn van de mensen afgedempt is, deze mensen in zekere zin van zich ‘bezeten’doen zijn; zij grijpen in het bewustzijn van de mens in.

(…) Nu heeft het Ahrimanische in de boekdrukkunst van de moderne tijd zijn grote betekenis verworven.

(…) Er worden eerste pogingen ondernomen, die van uit het bereik van Michael kunnen worden aangeduid als: Ahriman treedt als schrijver op.

Niet alleen zijn er mensen die door hem bezeten worden, maar Ahriman is zelf als schrijver opgetreden, terwijl hij door mensenzielen op aarde van zich liet horen. Dat hij een geniale schrijver is, hoeft niet te verbazen: want Ahriman is een grootse, een omvangrijke, een geweldige geest. Hij is echter die geest, die niet geneigd is tot een verdere ontwikkeling van de mensheid op aarde in de zin van de goede goden, maar tot het bestrijden daarvan.

(…) het zal in de toekomst noodzakelijk zijn om op aarde werkzaam te zijn, opdat wij niet alles wat ons als geschreven werk onder ogen komt, op dezelfde manier op te nemen. Er zullen werken van een mensenhand gepubliceerd worden, maar enkele mensen zullen moeten weten dat er één is die zich schoolt om een van de schitterendste schrijvers te worden in de nabije toekomst: Ahriman zal de schrijver zijn. Zoals ooit de evangelisten geïnspireerd werden en de werken hebben neergeschreven van de bovenzinnelijke wezens die hen begeestigden, zo zullen de werken van Ahriman door mensen worden geschreven.

(…) om in de antroposofische vereniging met aandacht met deze inzichten te leven en degenen, die in de volgende incarnaties zullen volgen in deze inzichten te onderrichten…tot het einde van de 20e eeuw. Dan zullen velen van hun die deze dingen nu voor het eerst meemaken, opnieuw op aarde afdalen en dat zal dus snel zijn. Intussen zal er op aarde echter veel verschijnen, talrijke werken die door Ahriman geschreven zullen zijn. Eén opgaven van de Antroposofen zal zijn om trouw de Michaelwijsheid te hoeden en met een welgemoed hart voor de Michaelwijsheid in te staan,om daarin een eerste doordringen te beleven van de aardse intelligentie met het geestelijk zwaard van Michael; opdat dit geestelijk Michaelzwaard gehanteerd zal worden door de harten waarin Michaelwijsheid is binnen gestroomd…zodat het Michaelbeeld, als een imaginatie die de Antroposoof als individu begeestigt, in een nieuwe gedaante zal verschijnen: Michael in het hart van de mens, onder zijn voeten het ahrimanische schrijverschap.

(…) waakzaamheid ten opzichte van de schitterende, verblindende arbeid van Ahriman als schrijver, wat door de hele 20e eeuw werkzaam is. Ahriman zal op ieder gebied schrijven!

Dat is de situatie die de mensheid aan het einde van de 20e eeuw tegemoet gaat. Zij die nu nog jong zijn, zullen veel van Ahrimans schrijverschap te zien krijgen

Rudolf Steiner, Arnhem 20 juli 1924

GA 240. Esoterische Betrachtungen karmischer Zusamenmenhänge. (Karma 7, uitgeverij Zevenster)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Als wij vandaag de dag kijken hoe de Antroposofische vereniging als de belichaming van de antroposofische beweging in de wereld staat, dan zien we dat een aantal mensen in die Antroposofische Vereniging bijeenkomt.

Wie er oog voor heeft, ziet dat er nog andere mensen op de wereld zijn –overal zijn zulke mensen te vinden– die gezien hun karma er ook innerlijk toe bestemd zijn om met de Antroposofische Vereniging in contact te komen. Ze ondervinden aanvankelijk hindernissen, ze vinden niet direct echt de weg erheen; maar ze zullen die wel vinden, óf in deze incarnatie óf in de volgende. Hierop moeten we echter goed letten: de mensen die door hun karma met de antroposofische beweging in contact komen, zijn innerlijk voor deze beweging voorbestemd.

Alles wat hier in de fysiek-zintuiglijke wereld gebeurt, heeft zijn voorgeschiedenis in geestelijke werelden. Niets gebeurt hier in de stoffelijke wereld wat niet eerst op geestelijke wijze in de geestelijke wereld is voorbereid. En nu komt het belangrijke: wat in de twintigste eeuw hier op aarde plaatsvindt als een samenstromen van een aantal mensen in de Antroposofische Vereniging, is in de eerste helft van de negentiende eeuw voorbereid doordat de zielen van de mensen die in hun huidige incarnatie in grote getale samenstromen, in het geestelijke gebied verenigd waren, toen ze nog niet naar de fysieke-zintuigelijke wereld waren afgedaald.

En in de geestelijke werelden is er toen door een aantal zielen gemeenschappelijk een soort cultus gehouden, een cultus die de bron was voor het verlangen dat opkwam in de zielen die nu geïncarneerd in de Antroposofische Vereniging samenkomen. En wie de gave heeft om zielen in hun lichaam te herkennen, die herkent ze als zielen die met hem hebben samengewerkt in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen er in de bovenzinnelijke wereld machtige kosmische imaginaties zichtbaar werden, die voorstellen wat ik zou kunnen noemen: het nieuwe christendom.

Daar waren toen –zoals nu hier in hun lichaam op aarde– zielen verenigd om voor zichzelf uit datgene wat ik kosmische substantie en kosmische krachten zou willen noemen, tot realiteit samen te voegen wat in machtige beelden kosmische betekenis had en wat het voorspel was van wat zich hier op aarde als leer, als antroposofische werkzaamheid moet voltrekken.

(…) Maar alle zielen die in de eerste helft van de negentiende eeuw bij elkaar waren gekomen om voor te bereiden wat op aarde antroposofische beweging zou worden, al die zielen bereidden in feite voor wat ik steeds weer genoemd heb: de Michaëlstroming, die in de laatste derde deel van de negentiende eeuw is opgekomen en die de belangrijkste geestelijke inslag in de moderne ontwikkelingsstroom van de mensheid vormt.

Michaëlstroming: voor Michaël de weg bereiden voor zijn aards-hemelse werkzaamheid – dat was de taak van de zielen die toen bijeen waren. Deze zielen echter waren ertoe gebracht om bijeen te komen door alles wat er met hen gedurende lange, lange tijd –gedurende honderden, bij velen gedurende duizenden jaren– was gebeurd.

Rudolf Steiner, Arnhem 18 juli 1924

GA 240. Esoterische Betrachtungen Karmischer Zusammenhänge Dritter Band (Karmaonderzoek 3, uitgevrij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Het lijkt mij belangrijk dat degene die met gehandicapten te maken heeft, om te beginnen bewust de juiste innerlijke houding weet te vinden. Ik heb altijd gemerkt dat ik dadelijk het vertrouwen had van een op enigerlei wijze gehandicapt of invalide mens, als ik mijn oogmerk richtte op het feit dat alleen het fysieke lichaam een gebrek vertoont, maar dat de geestelijke vorm die aan het fysieke lichaam ten grondslag ligt volledig intact is.

Voor mij is deze geestelijke vorm een realiteit, geesteswetenschappelijk zo aantoonbaar als voor een chemicus het element waterstof in water. De gehandicapte mens heeft er een fijn gevoel voor, of men tegenover hem zijn fysieke gebreken of zijn lichamelijke-fysieke totaliteit in het bewustzijn heeft. Zijn gevoel reageert subtiel op het gedachtenbeeld dat degene die tegenover hem staat van hem heeft.

Maar nu ligt juist daarin een heel bepaald probleem. Ik heb dit heel precies kunnen waarnemen wanneer ik met blinden te maken had. In het gesprek met blinden moet elke toespeling op ervaringen die alleen toegankelijk zijn voor zienden worden vermeden. Dat is moeilijk, omdat het bij dit vermijden juist op de fijnere nuances in de woordkeuze aankomt.

Men moet geheel binnen het veld blijven dat bepaald is door de waarnemingsmogelijkheden en – wereld van de blinde. Dit moet echter zo gedaan worden, dat innerlijk niet steeds de gedachte opkomt: ”dit of dat moet ik vermijden”, want daarmee wordt de gedachte aan de blindheid van de blinde opgeroepen en dat moet nu juist niet gebeuren.

(…) Wat dit alles betreft is er geen aanmerkelijk verschil tussen degenen die blind geboren en degenen die blind geworden zijn. De laatsten begrijpen iemand natuurlijk ook wanneer hij van visuele voorstellingen uitgaat; maar het werkt buitengewoon heilzaam op hun ziel wanneer dit achterwege wordt gelaten.

(…) Meer dan welke andere menselijke vermogens ook leggen gebreken en invaliditeit de grondslag voor een spirituele wijze van ervaren.

(…) Men kan in geestelijk opzicht nauwelijks iets voor een mens betekenen, wanneer men zich niet in zijn innerlijke toestand kan verplaatsen. Toch helpt bij dit zich verplaatsen geen reflectie, maar alleen het zich als vanzelfsprekend kunnen vinden in de andere mens.

Rudolf Steiner, Berlijn 12 juli 1915

Aan Willy Schlüter - 176 (Brieven, uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Als het de mens lukt zichzelf te begrijpen in zijn bovenzinnelijke natuur als een bezield spiritueel wezen, dan zal hij ertoe komen ook het recht te vinden dat hem tot gelijke onder zijns gelijken maakt. Dan zal hij de wetenschap verdiepen want uit datgene wat ik u vandaag heb aangeduid, kunnen geneeskunst, rechtswetenschap, opvoedkunst uit de ware bron ontspringen.

De wetenschap zal dan niet meer datgene verspreiden wat, zoals tot dusver het geval is, tot de mechanisering van de geest voert of tot ongelijkheid. Nee - wat de geest langs geestelijke wegen zoekt zal tot volledige geestelijke vrijheid van de mens voeren en tot menselijke gelijkheid.

Wanneer de mens die zich als spiritueel wezen ervaart de andere mens met liefde tegemoet treedt, wanneer mensen zich bewust als spirituele wezens tot elkaar verhouden, dan zal de menselijke aard vervuld zijn van de bevrijde geest en van de ware, bezielde broederlijkheid die alle mensen omvat.

Rudolf Steiner, 11 juli 1919

GA 330. Neugestaltung des sozialen Organismus (Vert. J.H.)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Wensen van de ziel ontkiemen,
daden van het willen groeien,
vruchten van het leven rijpen.

Ik voel mijn lot,
mijn lot vindt mij.
Ik voel mijn ster,
mijn ster vindt mij.
Ik voel mijn doelen,
mijn doelen vinden mij.

Mijn ziel en de wereld zijn slechts een.

Het leven, het wordt lichter om mij,
het leven, het wordt zwaarder voor mij,
het leven, het wordt rijker in mij.

Rudolf Steiner, 10 juli 1924

GA 40. Wahrsprucheworte (Gedichten, spreuken, meditaties – Uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Aan de leden XVI

Tot de gevolgen van de Weihnachtstagung zou ook moeten horen dat door de leden die actief willen zijn steeds duidelijker aan de wereld wordt getoond wat Antroposofie in wezen is en wat zij niet is. Zolang er nog steeds discussies mogelijk zijn over de vraag of iets dat door de Antroposofie bereikt is hier of daar ’instroomt’, zonder dat gezegd wordt ”dat is Antroposofie”, om de mensen niet af te schrikken, zolang zal veel binnen de Antroposofische Vereniging niet in orde komen.

Het gaat er nu om in die richting werkelijkheid tot helderheid te komen. Er is een verschil tussen het sektarische opkomen voor iets dat men als een stuk antroposofische dogmatiek in elkaar gezet heeft en het het recht-door-zee-gaande, open, onverbloemde, zich niet in bochten wringende staan voor wat door Antroposofie aan inzichten over de geestelijke wereld aan de dag treedt. En wel zo aan de dag treedt dat de mensen daardoor een menswaardige verhouding tot deze wereld kunnen vinden.

(…) Op zijn plaats is alleen het oordeel: ”Antroposofie is er; is verworven; ik zet me er voor in dat in de wereld het verworvene bekend wordt gemaakt.”

Rudolf Steiner, 6 juli 1924

GA 260-a. Was in de Antroposofischen Gesselschaft vorgeht (Brieven aan de leden van de Antroposofische Vereniging, uitgave AViN)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Nu is het interessant, heren, om vandaag de dag een mensenkiem te bekijken zo ongeveer op de 21e, 22e dag na de bevruchtiging. Hoe ziet die er dan uit?

Ze drijft dan in het water dat in het moederlichaam zit; en ze ziet er dan zo uit (het wordt getekend): echt als een klein visje! De vorm die de mens werkelijk had tijdens de Maantijd, die heeft hij ook nog in de derde week van de zwangerschap. Die heeft hij nog overgehouden.

U kunt dus zeggen: eerst werkt de mens zich uit die Oude Maangestalte; en aan de visgestalte, die hij in het moederlichaam bezit, kunnen we tegenwoordig nog zien hoe hij zich daar uit werkt. Overal in de huidige wereld kunnen we zien hoe het leven vroeger is geweest, evenals we van een lijk weten dat daar vroeger leven in heeft gezeten.

Rudolf Steiner, Dornach 30 juni 1924

GA 354 Die Schöpfung der Welt und des Menschen (Beelden van de evolutie, uitgeverij Pentagon)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


AntroVista
Citaat van de dag in samenwerking met Antrovista: www.antrovista.com