Het citaat van de dag

Iedere planetaire bestaansvorm heeft een zeer bepaalde opgave. Die van onze aarde is dat de wezens die zich op haar moeten ontwikkelen, de liefde tot volledige ontplooiing brengen. Wanneer de aarde aan het einde van haar ontwikkeling is gekomen, moet zij geheel en al van liefde doordrongen zijn.

(…) Dan zal de aarde overgaan in een volgende planetaire toestand Jupiter genaamd. De wezens die op Jupiter zullen verkeren zoals nu de mensen op aarde, zullen in alle wezens de liefde vinden die zij daar gedurende hun bestaan op aarde, als mens, zelf in hebben gelegd; een geur van liefde zal uit de dingen opstijgen, zoals we nu in alle dingen wijsheid aantreffen. En zoals wij nu de wijsheid stap voor stap tot ontwikkeling brengen, evenzo zullen wij op Jupiter uit ons innerlijk de liefde tot ontwikkeling brengen. De grote kosmische liefde die nu op aarde aan het ontstaan is, zal de dingen dan geheel en al doordringen.

(…) De aarde is de kosmos van de liefde. Wat is voor liefde noodzakelijk? Waarover moet een wezen beschikken eer het een ander wezen kan liefhebben? Dit wezen moet volledig zelfbewust zijn, het moet volkomen zelfstandig zijn. Geen enkel wezen kan een ander liefhebben in de diepste zin van het woord, wanneer deze liefde niet een vrije gift is aan dat andere wezen. Mijn hand houdt niet van mijn organisme. Alleen een wezen dat zelfstandig is, dat afgescheiden is van andere wezens, kan deze liefhebben. Daartoe moest de mens een ik-wezen worden. Het ik moest bij de drie lichamen van de mens (fysiek-ether-astraal) worden ingeplant, opdat de aarde haar liefdesopgave door de mens zou kunnen volbrengen. (…) de drager van de liefde kan alleen het zelfstandige ik zijn, dat zich langzamerhand in de loop van de ontwikkeling van de aarde, ontplooit.

(…) Met het fysieke zonlicht stroomt ook de warme liefde van de godheid naar de aarde; en de mensen zijn er om de warme liefde van de godheid in zich op te nemen, te ontwikkelen en te beantwoorden. Dat kunnen zij echter alleen als zij zelfbewuste ik-wezens worden Alleen dan kunnen zij die liefde beantwoorden.

(…) Het Licht scheen in de duisternis, maar de duisternis kon nog niets van het Licht begrijpen. Wanneer dit Licht, dat tevens de Liefde van de Logos is, niet op nog andere wijze dan in die korte tijd overdag door de zon aan de mens zou zijn geopenbaard, dan zou de mens dit licht van de liefde niet hebben begrepen.

Rudolf Steiner, 20 mei 1908

GA 103. Das Johannes-Evangelium (Het evangelie van Johannes. Esoterische achtergronden. Uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Als eerste was er de Logos, toen werd de Logos leven, daarna Licht. En dit Licht leeft in het astrale lichaam. Het Licht scheen in het innerlijk van de mens, in de duisternis; in het zonder-inzicht-zijn scheen het licht binnen. Het bestaan op de aarde heeft de bedoeling dat de mens in zijn innerlijk de duisternis overwint opdat hij het Licht van de Logos kan herkennen.

(…) ”In het Oerbegin was het Woord en het Woord was bij God, en een God –of goddelijk– was het Woord. Dit was in het oerbegin bij God. Alles is door het Woord geworden en op andere wijze dan door dit Woord is niets van wat is ontstaan, geworden. In het Woord was het Leven, en het Leven werd het Licht der mensen. En het Licht scheen in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen”. (Vgl. Johannes Nieuwe Testament 1-15)

Rudolf Steiner, 19 mei 1908

GA 103. Das Johannes-Evangelium. (Het evangelie naar Johannes. Esoterische achtergronden. Uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


We moeten ons voorstellen dat de mens er in zijn huidige gestalte nog niet was, toen de aarde nog in vroegere ontwikkelingsstadia verkeerde: maar als niet-sprekend en onvolkomen wezen was de mens er wél; hij heeft zich heel geleidelijk ontwikkeld tot het wezen dat met het woord –of de logos– begiftigd is.

Dat hij dat kon, kwam doordat het scheppende principe, dat zich bij hem het laatste openbaart, in een hogere werkelijkheid in den beginne er al was. Wat zich uit de ziel losworstelt, dat was er als goddelijke aanvang al van het begin van zijn ontwikkeling. Het woord dat uit de ziel opwelt, de Logos, was er in den beginne al, en de Logos heeft de ontwikkeling zo geleid, dat er tenslotte een wezen ontstond waarin de Logos zelf verschijnen kon. Wat aan het eind van de ontwikkeling in tijd en ruimte verschijnt, was in de geest het eerst aanwezig.

(…) In de aanvang verschijnt dus de niet sprekende mens als zaad voor de met het woord begaafde mens en dit ’zaad’ is dus afkomstig van de Woorddragende God. De mens komt dus voort uit de niet-sprekende mens, maar uiteindelijke is in den beginne het woord of Logos.

Hierop wijst de schrijver van het Johannes-evangelie al dadelijk bij het begin. Daar zegt hij: ”In het oerbegin was het woord en het Woord was bij God en een God was het Woord”.

Hij wil ermee zeggen: waar is het Woord nu in deze tijd? Het Woord is er heden ten dage ook. Het Woord is nu bij de mens en het Woord is iets menselijk geworden!

Rudolf Steiner, Hamburg 18 mei 1908

GA 103. Das Johannes Evangelium (Het Johannes Evangelie, uitgeverij Vrij geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


Vrij worden kan de mens alleen in de geest. Zolang hij afhankelijk is van datgene waarin zijn geest als in zijn stoffelijk lichaam woont, zolang blijft hij een slaaf van dit lichaam. Hij kan alleen vrij worden als hij zich in de Geest hervindt en vanuit de geest meester wordt over hetgeen in hem aanwezig is.

Vrij worden veronderstelt: zich als Geest in zichzelf hervinden. De ware Geest, waarin we ons kunnen vinden, is de algemene mensengeest, die we als de in ons intrekkende kracht van de Heilige Geest van Pinksteren herkennen, die we in onszelf moeten voortbrengen, tot verschijning moeten laten komen. Zo wordt voor ons het Pinkster-symbool omgevormd tot ons grootste ideaal van vrije ontwikkeling der menselijke ziel tot een in zichzelf besloten vrije individualiteit.

(…) Zoals in het ene jaar Pasen op deze dag, in een ander jaar op die dag plaats vindt, zo zal bij elk mens, afhankelijk van zijn verleden en de kracht van zijn streven, het tijdstip vroeg of laat komen, waarop hij zich bewust wordt: ik kan in mij de kracht vinden waardoor een hogere mens in mij tot ontwikkeling komt.

(…) De mens moet de herinnering aan datgene wat hij zijn kan, tot ontwaken brengen doordat hij de blik opwaarts naar de hemel richt, om te zien hoe hij bevrijd kan worden van al het aardse en zich boven dit alles verheffen kan.

(…) Dan zullen we wel wonen in de uiterlijke mens, maar ons volledig bewust worden van de geestelijke kracht van de innerlijke mens.

(…) Als we de volledige kracht en macht van de Pinksterimpuls voelen, zullen we ons realiseren dat het onze plicht is te luisteren naar het woord: Ik ben met U alle dagen tot aan het einde van de ontwikkeling der aarde !”

Als u vervuld zult zijn van de Christus-impuls, kunt u het woord, door de grondlegger van het Christendom geïnspireerd, verder beluisteren door alle tijden heen, het woord dat Christus tot alle tijden spreekt, omdat hij met de mensen is voor alle tijden, hoorbaar voor hen die Hem willen horen

(…) We kunnen geloven in de toekomst van het Christendom, als we de Pinkstergedachte in waarheid verstaan. Dan komt er voor ons te staan met een kracht, die in de ziel werkt als een aanwezige kracht, het geweldige beeld! Dan voelen we de toekomst, zoals zij die als eersten onder de inspiratie van de Heilige Geest de toekomst gevoeld hebben, als we de wil hebben iets in onze ziel te doen leven wat geen grenzen kent en wat het individuele in de mens bevordert en wat een taal spreekt die over de gehele aarde alle zielen kunnen verstaan.

We voelen de gedachte van vrede, van liefde en harmonie, die in de Pinkstergedachte liggen. En we voelen als we deze Pinkstergedachte beleven, ons Pinksterfeest. We voelen het als een onderpand voor onze hoop, vrijheid en eeuwigheid.

(…) We voelen ze als een Pinkstergedachte, die van tijdperk tot tijdperk overgeleverd is in de woorden die nu eerst nog exoterisch kunnen klinken, om door de gehele mensheid begrepen te worden:

Wezens volgen elkaar op in Wereldruimten
wezens volgen elkaar op in ’t tijdsverloop.
Verblijft gij in wereldruimten of in ’t tijdsverloop,
zo zijt gij o mens in ’t rijk van de vergankelijkheid.
Echter boven haar, verheft zich uwe ziel geweldig,
zo gij al vermoedend of alwetend
’t onvergankelijke schouwt,
aan de andere kant der wereldruimten,
aan d’and’re kant van ’t tijdsverloop.

Rudolf Steiner, Hamburg 15 mei 1910

GA 118. Pfingsten, das Fest der freien individu­alität. (Pinksteren, het feest van de vrije individu­aliteit, uitgeverij Zevenster)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


We laten het geweldige geestelijke slottafereel van de Faust op ons werken, waarin de mens de geestelijke wereld weer bereikt nadat hij afgedaald is en zich van binnenuit naar buiten toe ontwikkeld heeft en door de ontwikkeling van geestelijke vermogens een geestelijke wereld voor zich heeft.

Dit lijkt op een vernieuwing, op een verdere ontwikkeling van een koor van oerklanken: vanuit het onvergankelijke van de geestelijke wereld klinkt dat wat de mensheid als vervanging van het geestelijk schouwen gekregen heeft en in vergankelijke gestalte kon weergeven. Uit het onvergankelijke zijn de vergankelijke figuren in de poëzie van Homerus en Aeschylus ontstaan.

De dichtkunst stijgt weer uit het vergankelijke naar het onvergankelijke op wanneer het ’mystieke koor’ aan het slot van de Faust de laatste woorden spreekt:

Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis!
Al het vergankelijke is slechts gelijkenis!

Daar stijgt, zoals Goethe heeft aangetoond, de geestelijke kracht van de mens vanuit de stoffelijke wereld weer op naar de geestelijke.

(…) Overal vinden wij bij dichters en ook bij andere kunstenaars een echo van dit weten, dat in de kunst de geestelijke oergrond van het menselijk bestaan doorklinkt. Daarnaast zeggen de grote kunstenaars ons dat hen door de kunst de mogelijkheid is gegeven te voelen dat datgene wat zij uitspreken tegelijkertijd een boodschap aan de mensheid is vanuit het geestelijk leven.

En daardoor voelen de kunstenaars, ook wanneer zij iets heel persoonlijks tot uitdrukking brengen, dat hun kunst omhoog gebracht wordt tot het peil van de mensheid in het algemeen en dat zij ware mensheids-kunstenaars zijn wanneer zij in de gestalten en openbaringen van hun kunst het woord verwerkelijken, dat Goethe laat weerklinken in het ’mystieke koor’ aan het slot van zijn Faust.

En op grond van de geesteswetenschappelijke beschouwingen kunnen wij daaraan toevoegen: de kunst is geroepen de gelijkenis van het vergankelijke te doordringen met de boodschap van het eeuwige, van het onvergankelijke. Dat is de taak van de kunst!

Rudolf Steiner, 12 mei 1910

GA 59. Metamorphosen des Seelenlebens (Meta­morfosen van het Zieleleven, uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


nieuw

Wat is een Vrije School..? Dat is een vraag met vele antwoorden. Rudolf Steiner, oprichter van de Waldorfschule, beschreef de Vrije School op vele manieren. Bijvoorbeeld zoals hieronder.

”Een vrije school is een school waar het mogelijk is dat opvoeders en leraren alles dat zij vanuit hun kennis van de mens en de wereld en vanuit hun liefde voor het kind voor wezenlijk houden, tot uiting kunnen brengen.

Een onvrije school is een school waar de leraar verplicht is om te vragen: wat is voorgeschreven voor de eerste klas, wat is voorgeschreven voor de tweede klas, hoe moet dit lesuur er volgens de wet uitzien?”

Rudolf Steiner, 9 mei 1922

John Hogervorst, citaat van de dag

afdrukken


Heel wat mensen van tegenwoordig zeggen: waarom zouden we ons naar de geestelijke wereld verheffen, we hebben genoeg te doen in de fysieke wereld; wie van aanpakken weet zoekt hier in deze wereld zijn weg.

Ja, hebben zulke mensen dan het recht om te denken dat die vroegere mensen, die de wijsheid in de mysteriën ontvingen, het minder goed met de fysieke wereld voor hadden? Zij wisten alleen dat de geestelijke wereld meespeelt in onze fysieke wereld, dat die erin doorwerkt, dat de doden toch onder ons werken, ook al ontkent men dat, en dat men alleen verwarring sticht door dat te ontkennen.

Iemand die ontkent dat zij die door de poort van de dood zijn gegaan hier op deze wereld inwerken, is als iemand die zegt: ”Och, dat zal wel zijn, dat dat heet is” – en dan over een gloeiende plaat loopt. Alleen is natuurlijk de schade niet zo direct aantoonbaar die wordt aangericht wanneer het doorwerken van de geestelijke in de fysieke wereld niet erkend wordt, wanneer er vanuit de aanname van de onkenbaarheid gehandeld wordt.

Onze tijd is heel weinig geneigd om de brug te slaan die geslagen moet worden naar het rijk waarin de gestorvenen en de hogere geesten leven. Onze tijd heeft in menig opzicht zelfs, je kunt wel zeggen, een haat, werkelijk een stemming van haat tegenover de geestelijke wereld.

En de geesteswetenschapper –als hij dat eerlijk wil zijn– heeft eigenlijk wel de plicht om zich ook een beetje met de vijandige machten bekend te maken, met de machten die vijandig staan tegenover onze geestwetenschappelijke ontwikke­ling, om daar ook wat op te letten. Want die dingen hebben werkelijk diepe gronden, ze hebben hun gronden daar waar de gronden liggen van alle krachten die de ware vooruitgang van de mensheid in deze tijd tegenwerken.

(…) We moeten tot de mogelijkheid komen om met de gestorvenen te leven, om de gedachten van de gestorvenen weer in ons te laten opstaan. We moeten in die zin de opstandingsidee serieus kunnen nemen. Dat is de weg waarlangs Christus zich werkelijk aan de mensheid kenbaar maakt in de sfeer van de subjectieve, innerlijke ervaring, de weg waarlangs Christus zich kan doen kennen.

Rudolf Steiner, Berlijn 8 mei 1917

GA 175. Bausteine zu einer Erkenntnis des Mysteriums von Golgotha, Kosmische und menschliche Metamorphose. (Inzicht in het mysterie van Golgotha, uitgeverij Vrij Geestesleven)

Renée Zeylmans, citaat van de dag

afdrukken


AntroVista
Citaat van de dag in samenwerking met Antrovista: www.antrovista.com