menu
Het citaat van de dag

Verzorgd door Renée Zeylmans († 16 februari 2018)


Laten we dus wel bedenken: die machten uit de school van Ahriman die van 1841 tot 1879 in de geestelijke wereld een beslissende strijd hebben gevoerd, die zijn in 1879 uit de geestelijke wereld omlaag gestoten in het rijk van de mensen. En sinds die tijd hebben ze hun vesting, hun werkveld – en wel speciaal in het tijdperk waarin wij nu leven – in het denken, in het voelen en in de wilsimpulsen van de mensen.

(…) Dat u als lid van de Antroposofische Vereniging ertoe geroepen bent over deze zaken te horen, in uw gedachten en uw gevoelens met deze dingen bezig te zijn. Dan zal u de hele ernst van de zaak voor de geest komen te staan, dan zal u voor de geest komen te staan dat u met het beste wat u kunt voelen en beleven, een opgave heeft, al naar gelang de plaats waar u staat in dit zo raadselachtige, zo bedenkelijke, zo verwarde heden.

(…) Er gebeuren gewoonweg in de wereld dingen die een groot deel van de mensheid zich niet realiseren De mensen weten niet waar de dingen vandaan komen die in hun emoties, in hun gevoelens en wilsimpulsen leven. Maar zij die de samenhang van de ontwikkeling kennen, weten hoe je de impulsen, de emoties oproept.

(…) Voor alles moet je weten dat je nu, nadat deze machten nu eenmaal naar de aarde omlaag zijn gegaan, met hen moet leven, dat ze er zijn, dat je niet je ogen voor hen mag sluiten en dat ze het machtigst worden als je niets over hen wilt weten, niets over hen wil horen.

(…) de ahrimanische machten kunnen o.a. heel goed gedijen. Ze kunnen gedijen doordat men die elementen verzorgt die zij juist zo graag onder de mensen van onze tijd willen verbreiden: vooroordeel, onwetenheid en vrees ten opzichte van het geestelijke leven. Met niets steun je de ahrimanische machten zo zeer als met vooroordeel, met onwetenheid en met de vrees voor het geestelijke leven.

(…) De natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing is een zuiver ahrimanische zaak; je bestrijdt die echter niet doordat je er niets van wilt weten, maar doordat je die –waar het mogelijk is– omhoog in het bewustzijn haalt, die zo goed mogelijk leert kennen. Je kunt Ahriman geen grotere dienst bewijzen dan de natuurwetenschappelijke visie te ignoreren of op een onverstandige manier te bestrijden. Wie onverstandige kritiek op de natuurwetenschappelijk visies uit, die bestrijdt Ahriman niet, maar hij helpt hem, omdat hij misleiding, troebelheid verbreidt over een gebied waarin juist licht verbreid zou moeten worden. De mensen moeten langzamerhand het niveau bereiken in te zien hoe iedere zaak wel twee kanten heeft..

(…) Deze ahrimanische machten die sinds 1879 in het menselijk gemoed voor zichzelf om zo te zeggen hun vestingen hebben opgericht, wat zijn die dan eigenlijk? Mensen zijn het niet; engelen zijn het, maar achtergebleven engelen –engelen die uit hun ontwikkelingsbaan zijn geraakt, die het verleerd hebben in de direct aangrenzende geestelijke wereld hun taak te verrichten. Zouden ze dat wel kunnen, dan zouden ze in 1879 niet omlaag zijn geworpen. Ze zijn naar beneden geworpen omdat ze boven hun taak niet kunnen vervullen. Nu willen ze hun taak met behulp van het hoofd, de hersenen van de mensen vervullen. In de hersenen van de mensen bevinden ze zich een nivo dieper dan waar ze eigenlijk thuis horen.

(…) Het is waar wat altijd door ingewijden gezegd is: wanneer datgene de mens doorstroomt wat van spirituele wijsheid afkomstig is, dan is dat voor de ahrimanische machten een grote verschrikking van duisternis en een verterend vuur. Een prettig gevoel is het voor de ahrimanischre engelen om in de hoofden te wonen die in onze tijd met ahrimanische wetenschap gevuld zijn. Maar als een verterend vuur, als een grote verschrikking van duisternis worden door de ahrimanische engelen die hoofden ervaren die van een spirituele wijsheid doordrongen zijn. Laten we zo’n zaak heel serieus nemen en het volgende voelen: wanneer we onszelf met spirituele wijsheid doordringen, dan gaan we zo door de wereld dat we de basis leggen voor een juiste verhouding tot de ahrimanische machten, dat we zelf door wat we doen, datgene opzetten wat er moet zijn, dat we tot heil van de wereld de plaats van het verterende offervuur opzetten, de plaats waar de verschrikking van de duisternis het schadelijke ahrimanische overstraalt.
Doordring u met zulke ideeën, doordring u met zulke gevoelens! Dan wordt u wakker en u bekijkt de dingen die buiten in de wereld plaatsvinden, bekijkt wat daar buiten in de wereld gebeurt.

(…) Wellicht zal veel van wat u te weten komt, uw hart pijnlijk treffen. Maar dat is niet erg, want helder weten, ook als dat pijn doet, zal nu goede vruchten dragen van het soort dat nodig is om een uitweg te vinden uit de chaos waarin de mensheid zich heeft begeven.

(…) Goed zou het voor de mensheid zijn als de treurige ervaringen van onze tijd niet door zoveel mensen zouden worden verslapen, maar als de mensen deze treurige ervaringen zouden gebruiken om zich zoveel mogelijk vertrouwd te maken met de gedachte: veel, veel moet anders worden! Te zelfvoldaan is de mensheid de laatste tijden geworden om deze gedachten in zijn volle diepte, en vooral in zijn volle intensiteit te overzien.

 
Rudolf Steiner, Dornacht 20 oktober 1917

GA 177. Der Sturz der Geister der Finsternis. Uitgegeven in de bundel Die spirituellen Hintergründe der äußeren Welt. Nederl. (De val van de Geesten van de Duisternis, uitgeverij Pentagon)


Zoals de tijdgenoten pas enkele eeuwen na hun dood tot een vol begrip van het Mysterie van Golgotha kwamen, zo beleven wij een paar eeuwen voor wij geboren worden een soort spiegelbeeld. Dit geldt alleen voor de huidige mensheid. In onze tijd dragen alle mensen bij hun geboorte iets in zich, wat een soort afspiegeling is van het Mysterie van Golgotha, een spiegelbeeld van wat men enkele eeuwen na het Mysterie van Golgotha in de geestelijke wereld beleefde. Deze impuls kan natuurlijk alleen langs bovenzinnelijke weg geschouwd worden, maar de werking van deze impuls kan iedereen beleven. En wie dat beleeft, vindt een antwoord op de vraag: hoe vind ik de Christus?

Wie de Christus wil vinden moet de volgende belevenissen hebben. Ten eerste moet hij tegen zichzelf zeggen: Ik wil zoveel zelfkennis nastreven als mij –als individuele menselijke persoonlijkheid– mogelijk is. En wie eerlijk is in dit streven naar zelfkennis zal moeten toegeven: Ik kan niet bereiken wat ik eigenlijk nastreef. Ik voel onmacht tegenover mijn streven naar zelfkennis. -Dit onmachtsbeleven is heel belangrijk. Dat zou iedereen moeten hebben, die eerlijk bij zichzelf te rade gaat. Dit onmachtsgevoel is gezond, want het is niets anders dan het gewaarworden van de ziekte -en wie een ziekte heeft zonder het te voelen, die is eerst recht ziek!

(…) Als dit onmachtbeleven krachtig genoeg is komt het omslagpunt. Dan komt het volgende beleven: als we ons niet alleen aan de krachten van het lichaam overgeven, maar als we ons overgeven aan dat wat de geest ons geeft, dan kunnen we de innerlijke zieledood overwinnen. Wij kunnen onze ziel weer terugvinden en met de geest verbinden. Zo kunnen we in onze onmacht de ziekte beleven, en we kunnen door het gevoel, in onze ziel doodsverwant te zijn geworden, de heiland als helende kracht beleven. Als we de heiland gewaarworden voelen we, dat we iets in onze ziel hebben, dat te allen tijde in het eigen innerlijke beleven een opstanding kan doormaken. Als we deze twee belevenissen zoeken, dan vinden wij in onze eigen ziel de Christus.

(…) Men hoeft slechts werkelijk zelfkennis te oefenen en, de wil tot zelfkennis te ontwikkelen; de wil ook tot bestrijding van de hoogmoed, die tegenwoordig zo gebruikelijk is. De mensen zijn zo hoogmoedig, dat ze de onmacht van hun eigen krachten niet beleven kunnen, dat ze dus noch de dood, noch de opstanding beleven kunnen. Daardoor kunnen ze nooit ervaren wat Angelius Silesius bedoelt:

”Het kruis van Golgotha kan ons niet van het boze,
als het niet ook in ons wordt opgericht, verlossen.”

(…) Christus-beleven is: het beleven van de dood in de ziel door het lichaam en van de opstanding van de ziel door de geest.

 
Rudolf Steiner, 16 oktober 1918

GA 182. Was tut der Engel in unserum Astralleib? Wie finde ich den Christus. (Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam? Hoe vinden wij de Christus? Uitgeverij Vrij Geestesleven)


Wij maken ons een juiste voorstelling van Michaël, geheel volgens de werkelijkheid, als wij ons zijn gelaat voorstellen als geweven uit het gouden licht van de zomer, met die vaste blik die op een wijzende vinger lijkt, die als het ware naar buiten leidt, alsof hij van binnen uit een lichtstraal de wereld in zendt.

Wij hebben de juiste voorstelling van Michaël, als wij om zijn rechterarm vlammen van vonken schietend meteoorijzer zien, dat samensmelt tot het zwaard waarmee hij de mensheid de wegen wijst van de dierlijke naar de hogere aard van de mens, de wegen wijst uit de zomertijd waarin de mens het sterkste meeleeft met de uiterlijke natuur, waarin de mens het meest tot een bewustzijn van de natuur komt, naar die andere tijd, de tijd van de herfst, waarmee de mens alleen kan meeleven als hij met de natuur meeleeft, met de afstervende natuur, die zichzelf doodt.

Maar het zou afgrijselijk zijn, als de mens bij het naderen van de herfst alleen kon beleven dat die natuur zichzelf doodt, zichzelf verlamt. Beleven wij de lente en zijn wij werkelijk volledig mens, dan geven wij ons over aan de ontspruitende, ontkiemende, aan de groeiende en goed gedijende natuur. Zijn wij zo’n volledig mens, dan bloeien wij met elke bloem, dan lopen wij uit met elk blad, dan rijpen wij zelf met elk zaad. Dan geven wij ons geheel over aan de zich oprichtende, ontspruitende, ontkiemende natuur.

(...) In de herfst kunnen we dit bewustzijn voor de natuur níet ontwikkelen, want als wij het eenzijdig ontwikkelen moeten wij het zichzelf dodende, het verlammende leven meebeleven. Daarin mag de mens niet meegaan, daartegenover moet hij zichzelf sterk maken. Zoals hij de levende natuur met zijn eigen leven moet meebeleven, moet hij zijn Zelf plaatsen tegenover de afstervende natuur, tegenover de dood. Natuurbewustzijn moet overgaan in zelfbewustzijn.

Dat is het grote, geweldige beeld van de naderende herfst, dat wij in dat wat in de kosmos gebeurt de waarschuwing zien: in de mens moet natuurbewustzijn plaats maken voor zelfbewustzijn!

 
Rudolf Steiner, 15 oktober 1923

GA. 229. Die Michael-imagination Geistige Meilenzeiger im Jahreslauf (Het feest van Michaël, uitgeverij Vrij Geestesleven)


Het economisch mensentype wil alle intellect enkel en alleen tot het fysieke herleiden. Dit economische mensentype heeft zich ten tijde van de hervorming (16e eeuw) losgemaakt van zijn spirituele grondslag.

(…) Tot dit type behoren mensen die na een zeer kort leven tussen dood en nieuwe geboorte opnieuw op aarde verschijnen. Precies deze mensen, die slechts een korte tijd in de geestelijke wereld doorgebracht hebben, komen onder het tegenwoordig heerserstype uitzonderlijk veel voor. U weet –ik heb daar al dikwijls over gesproken– dat een der opmerkelijkste verschijnselen van de nieuwe tijd is dat voor de heerserstype de selectie van de slechtsten naar boven zich voltrokken heeft. Reeds sinds jaren heb ik u dat altijd steeds weer bij verschillende gelegenheden gezegd.

Diegenen die eigenlijk de heersers, de regeerders zijn, zijn niet een selectie van de besten; de tijden brengen mee dat de besten juist in onze tijd onderaan staan, en diegenen die bovenaan staan, zij die in een leiderspositie staan, zijn nu meestal juist niét altijd de besten. Dikwijls worden dezen geselecteerd uit de minderwaardigen. En deze selectie der minderwaardigen berust hierop dat dezen een leven hebben waaraan een zeer korte tijd tussen het vorige en dit aardeleven voorafgegaan is.

Bij vele leidinggevende personen van de nieuwe tijd is het een uitgesproken feit dat ze na een kort geestelijk leven vlug weer op aarde terugkeren. Daardoor zijn zij weinig doordrongen van het geestelijke. Zij hebben weinig geestelijke impulsen opgenomen gedurende hun voorafgaande leven tussen dood en nieuwe geboorte. Maar des te meer zijn zij doordrongen van alles wat de aarde hun hier geven kan. Het zijn in het bijzonder de economische mensentype, diegenen met een kort voorafgaand geestelijk leven, die helemaal doordrongen zijn van alles wat slechts de aarde als zodanig kan geven. Het is niet dat er geen mensen zijn die langer in de geestelijke wereld gebleven zijn, die tegenwoordig in aanmerking komen, maar dezen worden teruggedrongen

(…) En het is eigenlijk jammerlijk wanneer men ziet hoe dikwijls het tegenwoordig gebeurt dat –wat hun innerlijk aard betreft– veel, veel betere mensen opkijken naar autoriteiten die veel, veel slechter zijn. Dat is een algemeen verschijnsel. De vereerde autoriteiten zijn waarachtig niet diegenen die een selectie van het betere mensentype vormen.

En nu is toch de tijd gekomen dat men op een onbevangen manier moet ophouden de lof ten aanzien van de moderne civilisatie te prediken, dat men onomwonden de werkelijke feiten moet bekijken. De mensen moeten zich gewoon maken om het leven niet alleen uiterlijk te beschouwen, maar ook naar innerlijke zielenconfiguratie. En een van de dingen die daarbij in aanmerking komen, is dat men een onderscheid moet maken tussen degenen die een langer geestelijk leven tussen dood en nieuwe geboorte, en degenen die een korter geestelijk leven achter zich hebben.

 
Rudolf Steiner, 12 oktober 1919

GA 191.
Soziales verständnis aus geisteswissenschaftlicher Erkenntnis


Het wezenlijke is niet wat Christus heeft geleerd, maar wat Christus heeft gegeven: zijn lichaam. Want nooit eerder was met een mens die stierf datgene in de aardeontwikkeling verschenen wat uit het graf van Golgotha is opgestaan. Nooit sinds het begin van de menselijke ontwikkeling op aarde was door een mens die door de dood was gegaan, op aarde werkelijkheid geworden wat werkelijkheid werd met het opgestane lichaam van Christus Jezus.

(…) Zijn opstanding is de geboorte van een nieuw bestanddeel van de menselijke natuur: een onvergankelijk lichaam.

(…) De mens daalt steeds dieper af. En op het tijdstip dat de menselijke ontwikkeling het punt van de crisis had bereikt, incarneerde het Christuswezen zich in het vleselijk lichaam van een mens. Dat is niet minder dan het grootste offer dat door het Christuswezen voor de ontwikkeling van de aarde kon worden gebracht.

 
Rudolf Steiner, Karlsruhe 11 oktober 1911

GA 131. Von Jesus zu Christus. Nederl (Wegen naar Christus, uitgeverij Vrij Geestesleven)


toon meer citaten

Adressen en bronnen

Renée Zeylmans

Overleden op 16 februari 2018

www.reneezeylmans.nl

Nearchus CV

Uitgeverij voor Sociale Driegeleding

Postbus 387

9400 AJ Assen

0592 408 989

www.nearchus.nl

Uitgeverij Pentagon

Vertalingen van Rudolf Steiner, opvoeding en vrijeschoolpedagogie

Prinsengracht 1055-b3

1017 JE Amsterdam

Postbus 15252
1001 MG Amsterdam

020 622 7679

www.uitgeverijpentagon.nl

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen

'Werken en Voordrachten' in het Nederlands

Boswachtersveld 203

7327 JS Apeldoorn

www.steinervertalingen.nl