menu
Het citaat van de dag

Verzorgd door Renée Zeylmans († 16 februari 2018)


Tegenwoordig is de geestelijke atmosfeer waarin de mensheid leeft, zo sterk met de wil tot misverstand geïmpregneerd, dat je woorden meteen anders uitgelegd worden dan hoe ze bedoeld waren toen je ze uitsprak.

 
Rudolf Steiner, Dornach 27 oktober 1917

GA 177. Der Sturz der Geister der Finsternis. (De val van de geesten van de duisternis, uitgeverij Pentagon)


In de grond van de zaak wilden de Geesten van de Duisternis in die oude tijden op hun manier ook weer het beste voor de mensen, ze wilden de mensen tot absolute vrijheid vormen, waarvoor de mensen in die tijd zeer zeker nog niet rijp waren. Ze wilden de mensen uitrusten met die impulsen waardoor elk afzonderlijk mens individueel op zichzelf werd geplaatst. Dat moest echter niet gebeuren, omdat de mensheid daar nog niet rijp voor was.

Er moest een tegenkracht tegenover gesteld worden door de Geesten van het Licht; en deze tegenkracht bestond erin dat indertijd de mens uit geestelijke hoogten naar de aarde werd verplaatst, wat als de verdrijving uit het paradijs symbolisch beschreven wordt. In werkelijkheid was dit omlaag stoten van de mens uit de hemel op aarde het inkapselen van de mens in de stroom van de overgeërfde of overerfbare eigenschappen.

Lucifer en de Ahrimanische machten wilden dat ieder mens als individualiteit op zichzelf was geplaatst. Daardoor zou de mens in onrijpe toestand snel vergeestelijkt worden. Dat moest niet gebeuren. De mens moest op aarde opgevoed worden, moest door de krachten van de aarde ontwikkeld worden. Dat gebeurde doordat de mens werd ingesponnen in de erfelijkheidsstroom, zodat de ene mens fysiek afstamde van de andere. De mens was nu niet meer op zichzelf geplaatst, maar hij erfde bepaalde eigenschappen van zijn voorvaderen. Hij was daardoor belast met aardse eigenschappen die Lucifer niet over hem had willen laten komen.

Alles wat in de fysieke erfelijkheidslijn ligt, is door de Geesten van het Licht als tegenstroom tegen de stroom van Lucifer op de mensen gestempeld. Er is aan de mens als ware een gewicht gehangen, waardoor hij verbonden werd met het aardebestaan. Zodat we met alles wat in verbinding staat met erfelijkheid, met verwekking, met voortplanting, met de liefde op het aardse gebied, ons verbonden moeten denken die geestelijke wezens wier leiding als Jahwe of Jehova aangeduid wordt.

(…) De bloedverwantschap moest de signatuur geven voor de aardse ordening.

(…) Maar met name tot aan de 15e eeuw zien we overal leringen ontspruiten die zich tegen enkel de natuurlijke banden, tegen de familiebanden, de gezinsbanden, volkerenverbanden enzovoort verzetten.

(…) engelachtige wezens, wezens uit de hiërarchie van de Angeloi zijn het, die sinds 1879 onder ons werken, nakomers van de oude Geesten van de Duisternis, verwant met hen, van gelijke aard als zij, maar pas door de gebeurtenis van 1879 zijn ze uit de hemel op aarde gestoten.

(…) De regelrecht voortwerkende Geesten van het Licht hebben genoeg gedaan in het vastleggen van de bloedsbanden, van de stam-, van de rassenbanden enzovoort, want in de ontwikkeling heeft alles zijn vaste tijd. Dat wat vastgelegd is in de mensheid door de bloedbanden, daarvoor is genoeg gebeurd in de algemene gerechtvaardigde wereldordening. Zodat sinds deze nieuwe tijd de Geesten van het Licht zo veranderen dat zij nu de mensen inspireren om vrije ideeën gevoelens, impulsen tot vrijheid te ontwikkelen, dat zij het zijn die de mensen op de grondslag van zijn individualiteit willen plaatsen. En de met de oude Geesten van de Duisternis verwante geesten, die krijgen nu geleidelijk aan de opgave in de bloedsbanden te werken.

(…) Michaël zal sinds 1879 de stadhouder zijn van de Christus, van de Christus-impuls, die erop uitloopt in plaats van de zuivere natuurlijke bloedbanden, geestelijke banden onder de mensen te scheppen. Want alleen door geestelijke samenhorigheidsbanden zal in het neergaande, dat geheel overeenkomstig de natuur is, het voortschrijdende binnenkomen.

Ik zeg: het neergaande is geheel overeenkomstig de natuur. Want net zoals de mens wanneer hij ouder wordt, niet een kind kan blijven, maar met zijn lichaam in een neergaande ontwikkeling binnentreedt, zo trad ook de hele mensheid in een neergaande ontwikkeling binnen. We zijn uit het vierde cultuurtijdperk gekomen, we zijn in het vijfde; het zesde en het zevende zullen samen met het vijfde de leeftijd van de tegenwoordige wereldontwikkeling zijn.

(…) En het zal blijken of er tenminste een kleine kring mensen wordt gevonden die zich onafhankelijk van alle bloedsvooroordelen omhoog kan werken tot het leren kennen van de holle-fraseologie die tegenwoordig over de aarde gaat, en die niets anders betekent dan een omhoog schieten naar de oppervlakte van dat wat geestelijk de gebeurtenis van november 1879 uitmaakt.

Voelen moeten we waar het leven opstijgt en waar het afdaalt.

 
Rudolf Steiner, Dornach 26 oktober 1917

GA 177. Der Sturz der Geister der Finsternis, uitgegeven in de bundel Die spirituellen Hintergründe der äusseren Welt. (De val van de Geesten van de Duisternis, uitgeverij Pentagon)


Er kunnen ons mensen in mensenvorm tegemoet treden die eigenlijk slechts naar de uiterlijke schijn mensen zijn, onderworpen aan steeds weerkerende aanrdelevens; in waarheid zijn het mensenlichamen met een fysiek, een etherisch en een astraal lichaam, waarin zich wezens belichamen om door middel van deze mensen hier werkzaam te zijn.

Het is inderdaad zo dat in het Westen een groot aantal van dergelijke mensen rondloopt, mensen die in feite niet gewoon wederbelichaamde mensen zijn, maar die dragers zijn van wezens die een uitgesproken vervroegde ontwikkelingsgang vertonen, die eigenlijk pas in een later ontwikkelingsstadium in de mensheidsvorm zouden mogen optreden. Deze wezens bedienen zich van het ganse menselijke organisme, maar voornamelijk –bij de Westerse mens- van het stofwisselingssysteem. Van de drie leden der menselijke natuur benutten zij het stofwisselingssysteem op een zodanige manier dat zij door middel van deze mensen inwerken op de fysieke wereld.

Iemand die het leven op de juiste manier beschouwt, ziet dit ook uiterlijk aan die mensen. Zo zijn bijvoorbeeld een groot aantal van diegenen die behoren tot angelsaksische geheime genootschappen –over de rol van zulke geheime genootschappen hebben wij de laatste jaren herhaaldelijk gesproken-, zo zijn leden van die geheimgenootschappen die invloedrijk zijn, eigenlijk dragers van dergelijke te-vroeg-optredende wezens die via het stof­wisselings­stelsel van bepaalde mensen op de wereld inwerken en zich een arbeidsterrein zoeken door middel van mensen die niet in regelmatige wederbelichamingen leven.

Evenzo zijn de toonaangevende persoonlijkheden van bepaalde sekten van zodanige aard; en met name bestaat het overgrote deel van een zeer verbreide sekte die een grote aanhang in het Westen heeft uit zulke mensen. Op die manier werkt, zou ik mogen zeggen, een gans andere geestgesteldheid in op de mensen van tegenwoordig. En het zal een essentiële opgave zijn om vanuit deze gezichtspunten stelling te kunnen nemen tegenover het leven.

De volgende passage stamt uit een voordracht voor priesters van de Christengemeenschap op 17 september 1924 (GA 346):

(…)In onze tijd verschijnen mensen die ik-loos zijn, die in werkelijkheid geen mensen zijn. Dat is een vreselijke waarheid. Zij lopen hier rond, maar zij zijn geen incarnatie van een Ik, zij worden binnengebracht in de fysieke ergfelijk­heids­stroom., zij krijgen etherlichaam en astraal lichaam en worden in zekere zijn uitgerust met een Ahrimanisch bewustzijn; zij geven de indruk mensen te zijn wanneer men ze niet nauwkeurig beschouwt, maar in de volle zin van het woord zijn het geen mensen.

(…)Dat is een verschrikkelijke waarheid maar het is de waarheid.

 
Rudolf Steiner, 22 oktober 1920

GA 200. Die Neue Geistigkeit und das Christus-erlebnis des zwanzigsten jahrhunderts.


Laten we dus wel bedenken: die machten uit de school van Ahriman die van 1841 tot 1879 in de geestelijke wereld een beslissende strijd hebben gevoerd, die zijn in 1879 uit de geestelijke wereld omlaag gestoten in het rijk van de mensen. En sinds die tijd hebben ze hun vesting, hun werkveld – en wel speciaal in het tijdperk waarin wij nu leven – in het denken, in het voelen en in de wilsimpulsen van de mensen.

(…) Dat u als lid van de Antroposofische Vereniging ertoe geroepen bent over deze zaken te horen, in uw gedachten en uw gevoelens met deze dingen bezig te zijn. Dan zal u de hele ernst van de zaak voor de geest komen te staan, dan zal u voor de geest komen te staan dat u met het beste wat u kunt voelen en beleven, een opgave heeft, al naar gelang de plaats waar u staat in dit zo raadselachtige, zo bedenkelijke, zo verwarde heden.

(…) Er gebeuren gewoonweg in de wereld dingen die een groot deel van de mensheid zich niet realiseren De mensen weten niet waar de dingen vandaan komen die in hun emoties, in hun gevoelens en wilsimpulsen leven. Maar zij die de samenhang van de ontwikkeling kennen, weten hoe je de impulsen, de emoties oproept.

(…) Voor alles moet je weten dat je nu, nadat deze machten nu eenmaal naar de aarde omlaag zijn gegaan, met hen moet leven, dat ze er zijn, dat je niet je ogen voor hen mag sluiten en dat ze het machtigst worden als je niets over hen wilt weten, niets over hen wil horen.

(…) de ahrimanische machten kunnen o.a. heel goed gedijen. Ze kunnen gedijen doordat men die elementen verzorgt die zij juist zo graag onder de mensen van onze tijd willen verbreiden: vooroordeel, onwetenheid en vrees ten opzichte van het geestelijke leven. Met niets steun je de ahrimanische machten zo zeer als met vooroordeel, met onwetenheid en met de vrees voor het geestelijke leven.

(…) De natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing is een zuiver ahrimanische zaak; je bestrijdt die echter niet doordat je er niets van wilt weten, maar doordat je die –waar het mogelijk is– omhoog in het bewustzijn haalt, die zo goed mogelijk leert kennen. Je kunt Ahriman geen grotere dienst bewijzen dan de natuurwetenschappelijke visie te ignoreren of op een onverstandige manier te bestrijden. Wie onverstandige kritiek op de natuurwetenschappelijk visies uit, die bestrijdt Ahriman niet, maar hij helpt hem, omdat hij misleiding, troebelheid verbreidt over een gebied waarin juist licht verbreid zou moeten worden. De mensen moeten langzamerhand het niveau bereiken in te zien hoe iedere zaak wel twee kanten heeft..

(…) Deze ahrimanische machten die sinds 1879 in het menselijk gemoed voor zichzelf om zo te zeggen hun vestingen hebben opgericht, wat zijn die dan eigenlijk? Mensen zijn het niet; engelen zijn het, maar achtergebleven engelen –engelen die uit hun ontwikkelingsbaan zijn geraakt, die het verleerd hebben in de direct aangrenzende geestelijke wereld hun taak te verrichten. Zouden ze dat wel kunnen, dan zouden ze in 1879 niet omlaag zijn geworpen. Ze zijn naar beneden geworpen omdat ze boven hun taak niet kunnen vervullen. Nu willen ze hun taak met behulp van het hoofd, de hersenen van de mensen vervullen. In de hersenen van de mensen bevinden ze zich een nivo dieper dan waar ze eigenlijk thuis horen.

(…) Het is waar wat altijd door ingewijden gezegd is: wanneer datgene de mens doorstroomt wat van spirituele wijsheid afkomstig is, dan is dat voor de ahrimanische machten een grote verschrikking van duisternis en een verterend vuur. Een prettig gevoel is het voor de ahrimanischre engelen om in de hoofden te wonen die in onze tijd met ahrimanische wetenschap gevuld zijn. Maar als een verterend vuur, als een grote verschrikking van duisternis worden door de ahrimanische engelen die hoofden ervaren die van een spirituele wijsheid doordrongen zijn. Laten we zo’n zaak heel serieus nemen en het volgende voelen: wanneer we onszelf met spirituele wijsheid doordringen, dan gaan we zo door de wereld dat we de basis leggen voor een juiste verhouding tot de ahrimanische machten, dat we zelf door wat we doen, datgene opzetten wat er moet zijn, dat we tot heil van de wereld de plaats van het verterende offervuur opzetten, de plaats waar de verschrikking van de duisternis het schadelijke ahrimanische overstraalt.
Doordring u met zulke ideeën, doordring u met zulke gevoelens! Dan wordt u wakker en u bekijkt de dingen die buiten in de wereld plaatsvinden, bekijkt wat daar buiten in de wereld gebeurt.

(…) Wellicht zal veel van wat u te weten komt, uw hart pijnlijk treffen. Maar dat is niet erg, want helder weten, ook als dat pijn doet, zal nu goede vruchten dragen van het soort dat nodig is om een uitweg te vinden uit de chaos waarin de mensheid zich heeft begeven.

(…) Goed zou het voor de mensheid zijn als de treurige ervaringen van onze tijd niet door zoveel mensen zouden worden verslapen, maar als de mensen deze treurige ervaringen zouden gebruiken om zich zoveel mogelijk vertrouwd te maken met de gedachte: veel, veel moet anders worden! Te zelfvoldaan is de mensheid de laatste tijden geworden om deze gedachten in zijn volle diepte, en vooral in zijn volle intensiteit te overzien.

 
Rudolf Steiner, Dornacht 20 oktober 1917

GA 177. Der Sturz der Geister der Finsternis. Uitgegeven in de bundel Die spirituellen Hintergründe der äußeren Welt. Nederl. (De val van de Geesten van de Duisternis, uitgeverij Pentagon)


Zoals de tijdgenoten pas enkele eeuwen na hun dood tot een vol begrip van het Mysterie van Golgotha kwamen, zo beleven wij een paar eeuwen voor wij geboren worden een soort spiegelbeeld. Dit geldt alleen voor de huidige mensheid. In onze tijd dragen alle mensen bij hun geboorte iets in zich, wat een soort afspiegeling is van het Mysterie van Golgotha, een spiegelbeeld van wat men enkele eeuwen na het Mysterie van Golgotha in de geestelijke wereld beleefde. Deze impuls kan natuurlijk alleen langs bovenzinnelijke weg geschouwd worden, maar de werking van deze impuls kan iedereen beleven. En wie dat beleeft, vindt een antwoord op de vraag: hoe vind ik de Christus?

Wie de Christus wil vinden moet de volgende belevenissen hebben. Ten eerste moet hij tegen zichzelf zeggen: Ik wil zoveel zelfkennis nastreven als mij –als individuele menselijke persoonlijkheid– mogelijk is. En wie eerlijk is in dit streven naar zelfkennis zal moeten toegeven: Ik kan niet bereiken wat ik eigenlijk nastreef. Ik voel onmacht tegenover mijn streven naar zelfkennis. -Dit onmachtsbeleven is heel belangrijk. Dat zou iedereen moeten hebben, die eerlijk bij zichzelf te rade gaat. Dit onmachtsgevoel is gezond, want het is niets anders dan het gewaarworden van de ziekte -en wie een ziekte heeft zonder het te voelen, die is eerst recht ziek!

(…) Als dit onmachtbeleven krachtig genoeg is komt het omslagpunt. Dan komt het volgende beleven: als we ons niet alleen aan de krachten van het lichaam overgeven, maar als we ons overgeven aan dat wat de geest ons geeft, dan kunnen we de innerlijke zieledood overwinnen. Wij kunnen onze ziel weer terugvinden en met de geest verbinden. Zo kunnen we in onze onmacht de ziekte beleven, en we kunnen door het gevoel, in onze ziel doodsverwant te zijn geworden, de heiland als helende kracht beleven. Als we de heiland gewaarworden voelen we, dat we iets in onze ziel hebben, dat te allen tijde in het eigen innerlijke beleven een opstanding kan doormaken. Als we deze twee belevenissen zoeken, dan vinden wij in onze eigen ziel de Christus.

(…) Men hoeft slechts werkelijk zelfkennis te oefenen en, de wil tot zelfkennis te ontwikkelen; de wil ook tot bestrijding van de hoogmoed, die tegenwoordig zo gebruikelijk is. De mensen zijn zo hoogmoedig, dat ze de onmacht van hun eigen krachten niet beleven kunnen, dat ze dus noch de dood, noch de opstanding beleven kunnen. Daardoor kunnen ze nooit ervaren wat Angelius Silesius bedoelt:

”Het kruis van Golgotha kan ons niet van het boze,
als het niet ook in ons wordt opgericht, verlossen.”

(…) Christus-beleven is: het beleven van de dood in de ziel door het lichaam en van de opstanding van de ziel door de geest.

 
Rudolf Steiner, 16 oktober 1918

GA 182. Was tut der Engel in unserum Astralleib? Wie finde ich den Christus. (Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam? Hoe vinden wij de Christus? Uitgeverij Vrij Geestesleven)


toon meer citaten

Adressen en bronnen

Renée Zeylmans

Overleden op 16 februari 2018

Nearchus CV

Uitgeverij voor Sociale Driegeleding

Postbus 387

9400 AJ Assen

0592 408 989

www.nearchus.nl

Uitgeverij Pentagon

Vertalingen van Rudolf Steiner, opvoeding en vrijeschoolpedagogie

Weteringschans 54-a

1017 SH Amsterdam

020 622 7679

www.uitgeverijpentagon.nl

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen

'Werken en Voordrachten' in het Nederlands

Boswachtersveld 203

7327 JS Apeldoorn

www.steinervertalingen.nl