menu

Weekspreuk 14 

7 - 13 juli 

An Sinnesoffenbarung hingegeben
Verlor ich Eigenwesens Trieb,
Gedankentraum, er schien
Betäubend mir das Selbst zu rauben,
Doch weckend nahet schon
Im Sinnenschein mir Weltendenken.

Opgaand in de zintuigopenbaring
Verloor mijn eigenzijn haar grond,
Het dromend denken scheen,
Verdovend mij het zelf te roven,
Maar door de zintuigschijn
Gloort mij opnieuw het werelddenken.

Kennis en kunst

De drie zomerse weekspreuken voeren ons mee in de geesteshoogten, ver van ons aardse huis. Dat is moeilijk voor te stellen. Maar als je naar de bomen kijkt, zie je het voor je: in de winter zwart aards en strak, en nu in de hoogzomer opgaand in het groen van het gebladerte. De boom zou haast vergeten dat hij met zijn wortels diep verbonden is met de aarde.

Maar nu al kun je zien hoe de groeikracht afneemt en de natuur alweer in zichzelf verstilt, als voorbode van een komende herfst. Zoals de boom zijn eigen wortels vindt, zo vindt de ziel de zekerheid, de grond – van zijn bestaan terug. Zo zien we op het hoogtepunt van het jaar, als een vergezicht, hoe onze gang zal zijn: herfst – Kerstmis – Pasen - ...

In het gedicht ‘Im Treibhaus’ – in de broeikas - spreekt Mathilde Wesendonk de planten toe, die ontheemd de thuisgrond missen. Richard Wagner toonzette het gedicht voor piano; Felix Mottl orkesteerde het.

Ruimte en licht worden hoorbaar, de verstilling grijpt aan, in de slotakkoorden vallen de druppels van de bladeren. Drie kunstenaars vertolkten wat het verstand moeilijk bevatten kan, maar dat het hart des te meer kan voelen. Kennis en kunst zijn broeders.

Im Treibhaus

Hochgewölbte Blätterkronen,
Baldachine von Smaragd,
Kinder ihr aus fernen Zonen,
Saget mir, warum ihr klagt?

Schweigend neiget ihr die Zweige,
Malet Zeichen in die Luft,
Und der Leiden stummer Zeuge
Steiget aufwärts, süßer Duft.

Weit in sehnendem Verlangen
Breitet ihr die Arme aus,
Und umschlinget wahnbefangen
Öder Leere nicht'gen Graus.

Wohl, ich weiß es, arme Pflanze;
Ein Geschicke teilen wir,
Ob umstrahlt von Licht und Glanze,
Unsre Heimat ist nicht hier!

Und wie froh die Sonne scheidet
Von des Tages leerem Schein,
Hüllet der, der wahrhaft leidet,
Sich in Schweigens Dunkel ein.

Stille wird's, ein säuselnd Weben
Füllet bang den dunklen Raum:
Schwere Tropfen seh ich schweben
An der Blätter grünem Saum.

De broeikas

Hooggewelfde bladerkronen,
Baldakijnen van smaragd,
Kinderen gij uit verre oorden,
Zeg me toch waarom ge klaagt.

Zwijgend neigen jullie twijgen
Tekens vormend in de lucht,
En de geur van jullie lijden
Stijgt omhoog als zoet odeur.

In een hunkerend verlangen
Strekt ge breed uw armen uit
En omslingert waan bevangen
Een gruwelijke ledigheid.

Arme planten, ja ik weet het;
Eenzelfde noodlot kleeft ons aan:
Ook al zijn we licht-omgeven,
Ons huis ligt hier ver vandaan.

Of de zon ook daalt vol vreugde
Na der dagen lege schijn,
Zij die waarlijk lijden, hullen
Zwijgend zich in duisternis.

Stil wordt het, een suizelend weven
Vult de ruimte vol van angst:
Zware drupp’len zie ik zweven
Aan uw groene bladerrand.

Sopraan Anne Sofie van Otter vertelt het verhaal van plant en mens. Toch eens luisteren naar:

 
‘In de Week’ is nu ook in boekvorm verkrijgbaar, klik hier...