menu

Weekspreuk 3 

14 - 24 april 

Es spricht zum Weltenall,
Sich selbst vergessend,
Und seines Urstands eingedenk,
Des Menschen wachsend Ich:
In dir, befreiend mich
Aus meiner Eigenheiten Fessel,
Ergründe ich mein echtes Wesen.

Tot het wereld-al spreekt nu,
Zichzelf vergetend,
Indachtig aan zijn oerbestaan,
Het groeiend mensen-ik:
In jou, mijzelf bevrijdend
Uit banden van mijn eigen aard,
Bevestig ik mijn ware wezen.

Blij je weer te zien

In de wintertijd was het wel na te voelen, wat de weekspreuken zeiden over innerlijk licht, het ontplooien van het eigen ik. Nu we in het voorjaar de andere kant op kijken, vanuit het eigen zelf naar het wereld-al, is het veel lastiger om ons voor te stellen wat het ik daaraan beleeft. En om welk ‘ik’ gaat het eigenlijk? Het ik zoals dat verankerd is in ons lijf, in ons aardse bestaan, of het ik van vóór onze geboorte, dat haast tot mythe geworden is voor ons.

Veel voorjaargedichten gaan over de ontwakende natuur: het zinnebeeld voor de twee werelden waarvan we deel uitmaken. In de winter leven de planten verborgen in de aarde. De bomen zijn gereduceerd tot kale takken – uitgestulpte aarde noemt Rudolf Steiner ze.

Kijk eens naar de prunus, nog kaal en strak. Hoe hij eruit zal zien als de bloesem ontluikt, ligt verborgen in het wortels van de boom. Als de prunus zich opeens wendt tot het zonlicht, zichzelf bevrijdend uit zijn starre houten bestaan, neemt hij zijn nieuwe gestalte aan. Wij die tot de buitenwereld van de boom behoren herkennen met vreugde zijn ‘ware’ verschijningsvorm. Wij ontmoeten de bloesemde boom en de bloesem ontmoet ons. ‘Dit is mijn ware wezen’, zegt de boom; ‘Ik weet het’, zeggen wij, ‘blij je weer te zien.’

Zo ook ontmoet het wereld-al het mensenwezen dat opbloeit uit de aardse gebondenheid. Ons ware wezen dat in de wintermaanden verborgen was, bloeit op. ‘Dit is mijn ware wezen,’ zegt de mensenziel. ‘Ik weet het’, zegt het wereld-al. ‘Blij je weer te zien.’

DE PRUNUS

Onverwacht en plotseling
stond de prunus deze morgen
weer met tak en stam verborgen
in een wolk van bloeseming,
die zo blank, zo smetloos zuiver
straald' en met de wind bewoog,
dat door mij een stille huiver
van verraste vreugde vloog.

Want nog enkel zwart en strak,
niet gereed nog tot ontluiken,
wist ik in geboomt' en struiken
ieder twijgje, elke tak;
slechts de kruin van d' oude steile
statige kastanjestam
brandde, met doorzichtig ijle
glanzend groene vlam bij vlam.

En nu plots, in deze nacht,
is de prunus weer ontloken,
overdadig uitgebroken
tot één eindeloze pracht. -
O, ik wist dat het zou komen,
dit onstuimige festijn,
maar ik had niet durven dromen
dat het zo volmaakt zou zijn.

Garmt Stuiveling 1907 - 1985

Als vrolijke muzikale verwelkoming van de meimaand Thomas Morley’s ‘Now is the month of maying’ door Cuarteto de Trombones: