menu

Weekspreuk 37 

15 - 22 december 

Zu tragen Geisteslicht in Weltenwinternacht
Erstrebet selig meines Herzens Trieb,
Daß leuchtend Seelenkeime
In Weltengründen wurzeln,
Und Gotteswort im Sinnesdunkel
Verklärend alles sein durchtönt.

Geesteslicht te dragen in wereldwinternacht
Is nu het zalig streven van mijn hart,
Opdat er lichtend zielenkiemen,
In wereldgronden wortelen,
En Godes woord in het zinnenduister
Verheerlijkend door al het zijnde klinkt.

Een handje vol

Zou Rudolf Steiner bij deze spreuk gedacht hebben aan het gedicht ‘Verklärte Nacht’ van Richard Dehmel en het veel bekendere strijksextet van Arnold Schönberg uit 1899 dat op dit gedicht gebaseerd is? Het is een tweegesprek van een verliefd paar onderweg in de nacht. De vrouw is zwanger maar het kind is niet van de man. Je denkt aan Jozef en Maria en hùn tocht naar Bethlehem. De vraag van de man is: hoe zal ik het kind ontvangen. Aan het eind van het gedicht zegt hij:

O sieh, wie klar das Weltall schimmert!
Es ist ein Glanz um Alles her, (--)
du hast den Glanz in mich gebracht,
du hast mich selbst zum Kind gemacht.

Kijk hoe de sterrenhemel schittert
Er straalt een glans om alles heen (--)
door jou is in mijzelf het licht ontwaakt,
door jou ben ik tot kind gemaakt.

Het zouden ook de woorden van Jozef en Maria kunnen zijn. Maria de begenadigde; Jozef de twijfelaar, snel ontmoedigd, eerder plichtsgetrouw dan bezield. Pas als Jozef in het Oberufer Kerstspel het kind zijn geschenk geeft – niet meer dan een handje hooi – wordt in hem het licht ontstoken. Zijn eenvoudige daad in deze koude nacht, het bijeenrapen van wat hooi, maakt dat het mysterie van de geboorte van het Kind zichtbaar voor hem wordt en voor ieder die het Kind zoekt.

Ook al heeft de kerk een heilige van Jozef gemaakt, in oorsprong is hij een gewoon mens die twijfelt, bezorgd is, zo goed mogelijk het goede in deze wereld probeert te doen.

Het kleine dat we doen, het goede dat we uit ’s harten kracht, doelgericht volbrengen willen, laat in onszelf het Godskind geboren worden.

Maria:

Ach Jozef mijn, hoe ontrouw kan de wereld zijn,
Met schande boven mate,
Ons in de stalle te laten,
O Jozef mijn, o Jozef mijn.
Een handeken hoois rijk Jozef mij
Dat ik het kind een beddeke sprei.

Jozef:

Mijn hart en wil,
Mijn gans gemoed,
Staan al na u, mijn zone goed.

Maria:

O Jozef mijn, wiegter met mij Het Kindeken,
God zal temet uw vergelder zijn,
O Jozef mijn, o Jozef mijn.

Jozef:

Zo geern zo geern goe Mario,
Sta ik u bij, het zij alzo,
Ik wil wel wiegen dat kindekijn.
God zal temer vergelder zijn,
Mario, Mario.

Luister naar de laatste twee delen van Schönbergs Verklärte Nacht: