menu

Weekspreuk 20 

18 - 24 augustus 

So fühl ich erst mein Sein,
Das fern vom Welten-Dasein
In sich sich selbst erlöschen
Und bauend nur auf eignem Grunde
In sich sich selbst ertöten müßte.

Nu voel ik pas mijn zijn
Dat ver van het wereld-zijn
In zich, zichzelf zou doen verstikken
En bouwend slechts op eigen werken
In zich ten dode zou zijn opgeschreven.

Verlangen

Nog maar kortgeleden verbond het rijpende graan op de akkers hemel en aarde, leek het graan zelf wuivend zonlicht geworden. Nu is het graan geoogst en resten slechts de stoppels op het veld: gegroeid, gerijpt, geoogst. In weekspreuk 11 klonken Goethes woorden: ‘De ziel van de mens lijkt op het water.’ Maar nu zou je moeten schrijven: de ziel van de mens lijkt op een akker. Zo heeft ze zich verbonden met het wereldlicht, dat ze zich wel af moet vragen: wat ben ik zonder het wereld-zijn? Wat rest mij, als ik ver van het wereldwoord op mijzelf ben aangewezen?’ Niet meer dan een stoppelveld dat afgebrand zal worden?

Dat is het oordeel van het denken dat naar de uiterlijke schijn kijkt, de som maakt en onder de streep niets over houdt. Zo lijkt de ziel afgesneden, los van zijn oorsprong, van alles wat hem van daaruit kon inspireren. Voor het denken is dat een finaal oordeel. Maar voor het weten is er hoop, want zoals het graan dat na de oogst gezaaid wordt, opnieuw zal uitgroeien tot volle aren, zo is in de ziel de kiem van het wereldoord geplant. Deze hoop maakt van deze spreuk geen doodsoordeel, maar de constatering: ik voel wie ik ben; ik ben meer dan mijn uiterlijk bestaan, ik ben die ik ben geworden door het wereldwoord. Het onttrekt mij aan de vergankelijkheid van de wereld, maakt de zielendiepte tot de akker van het nieuwe leven.

Wie het leven kent, weet dat die zekerheid in de ziel niet als vanzelf gegeven wordt. Zoals de akker omgeploegd moet worden, kan de mensenziel ook omgeploegd worden om tot vruchtbare zielengrond te worden, soms door de ploegschaar van verdriet en lijden

Goethes ‘Lied van Mignons’ over een verre geliefde gaat over het afgesneden zijn; maar ook hier gaat de eerste zin gaat over verlangen.

Nur wer die Sehnsucht kennt
Weiß, was ich leide!
Allein und abgetrennt
Von aller Freude,
Seh‘ ich ans Firmament
Nach jener Seite
Ach! der mich liebt und kennt,
Ist in der Weite.
Es schwindelt mir, es brennt
Mein Eingeweide.
Nur wer die Sehnsucht kennt
Weiß, was ich leide!

Slechts wie het verlangen kent
Weet wat ik moet lijden,
Alleen en afgesneden
Van alle vreugde,
Schouw ik in het firmament
Naar gene zijde
Ach, die mij mint en kent
Is in die wijdte.
Het duizelt me, verzengt
Mijn eigenheid.
Slechts wie het verlangen kent
Weet wat ik moet lijden!

Tsjajkovski zette 'Het lied van Mignon’op muziek; de legendarische tenor Fritz Wunderlich, tilt het lied boven het liefdeslied uit tot een lied over het verlangen.

Luister naar:

 
‘In de Week’ is nu ook in boekvorm verkrijgbaar, klik hier...