menu

Weekspreuk 18 

4 -10 augustus 

Kann ich die Seele weiten,
Daß sie sich selbst verbindet
Empfangnem Welten-Keimesworte?
Ich ahne, daß ich Kraft muß finden,
Die Seele würdig zu gestalten,
Zum Geisteskleide sich zu bilden.

Kan ik mijn ziel doen groeien
Zodat ze zich verbinden kan
Met het wereldwoord dat ik ontving?
Ik voel nu, dat ik kracht moet vinden,
De ziel zo toe te rusten dat
Zij zich tot geestesmantel kan ontplooien

Maatstaf

‘Tot zomerwaartse hoogten’ heette het in weekspreuk 10. Tot daar heeft de zomer ons meegevoerd op zijn hemelvaart. Is dat een mooi vergezicht dat we voor blijde kennisgeving aannemen zoals andere vakantie-vergezichten? Het bijzondere van deze ervaring is, dat we niet iets nieuws gezien hebben, maar juist in aanraking kwamen met iets ouds en eigens: we ontmoetten de kern van ons wezen. Op vakantie denk je vaak: kon ik het maar meenemen. Verstandig als we zijn, doen we dat niet omdat thuis toch alles weer tot gewone dagelijkse proporties wordt teruggebracht.

Maar deze weekspreuk fluistert ons iets anders in: ‘Neem het mee, het is van jou.’ De spreuk gebruikt het woord ‘ahnen’. Wij hebben daar geen bondig Nederlands woord voor. Vermoeden, aanvoelen, gewaar worden, komt in de buurt. Het is als een stem die in ons klinkt en die weer als een zucht vervliegt. Dichters herkennen die stem als de stem van de engel. Het pure intellect gaat uit van feiten, het vermoeden gaat uit van mogelijkheden. Dat is de kracht van de mens. Maar ook zijn zwakte: ‘Wie ben ik dat ik dat kan?’ Bij vermoeden en hoop hoort onzekerheid: daags voor je huwelijk; bij de geboorte van een kind; als je aan een nieuwe baan begint. Als je op je verstand moet vertrouwen schiet je altijd te kort, want er zijn zoveel argumenten. Vertrouw je je engel – noem het intuïtie – dan ontvang je de kracht wanneer je die nodig hebt.

De 19e-eeuwse Amerikaanse dichteres Emily Dickinson - die in zelfgekozen kluizenaarschap leefde – schreef vanuit haar afzondering kleine gedichten over de grote vermoedens die ze voelde. Zo ook dit gedichtje:

We Never Know How High We Are

We never know how high we are
Till we are called to rise;
And then, if we are true to plan,
Our statures touch the skies.
The heroism we recite
Would be a daily thing,
Did not ourselves the cubits warp
For fear to be a king.

Losjes vertaald:

Je weet maar nooit hoe groot je bent
Totdat het lot het eist;
En je, zoals is voorbestemd,
Tot aan de hemel reikt.
Het heldendom verloor haar glans
Bleef onze maatstaf klein,
In de bekrompen ellemaat
Bang om een vorst te zijn.

Luister naar:

 
‘In de Week’ is nu ook in boekvorm verkrijgbaar, klik hier...