menu

Weekspreuk 7 

19 - 25 mei 

Mein Selbst, es drohet zu entfliehen,
Vom Weltenlichte mächtig angezogen.
Nun trete du, mein Ahnen
In deine Rechte kräftig ein,
Ersetze mir des Denkens Macht,
Das in der Sinne Schein
Sich selbst verlieren will.

Mijn zelf, het dreigt mij te ontvlieden,
Door het wereldlicht geweldig aangetrokken.
Kom nu, mijn diep vermoeden,
Krachtig voor je rechten op,
Neem mij de macht van het denken over,
Dat in de schijn van de zintuigwereld,
Zich zelf verliezen wil.

Zekerheid

Wie zijn en wáár zijn we als mens? We zijn op de plaats waar we zitten of staan, maar we kunnen gelijker tijd met onze gedachten elders zijn. We zijn deel van heden en verleden, maar ook van de toekomst. We ervaren ons zelf in de diepte van onze ziel, evenals in de wijdte van de wereld.

Nu de zon de wereld lichter maakt, heeft ons zelf de neiging zich los te maken van de dagelijkse beslommeringen. We voelen dat als een vaag verlangen, een lichte onrust die zich laat gelden en die in onze gedachten vorm krijgt. Ons denken beschouwt niet alleen ons bestaan, het beoordeelt het ook. Het kan gevoelens van tevredenheid, maar evengoed van ongenoegen oproepen. Het kan wensen in ons wekken die ons evenwicht verstoren. Tragische gevolgen zie je als mensen extreme keuzes maken in het verlangen naar een andere en betere wereld. Het denken is dan een slechte raadgever, die van gewone mensen extremisten maakt.

Maar ook in het gewone dagelijkse leven zijn er altijd mogelijkheden en ons denken speelt daarmee. Het wekt gevoelens die ons in een schijnwereld van keuzes kunnen voeren. Onze speculaties kunnen een onzekere raadgever zijn. Je kunt je vooraf wel realiseren hoe je je achteraf zou kunnen voelen in een soort samengaan van heden en toekomst. Een vreemde combinatie, want het heden stelt ons voor vragen en de toekomst is onzeker.

De zekerheid van ons bestaan ligt in het verleden. Niet het verleden van conventies of gewoontes, maar in de wetenschap dat we met een levensdoel op aarde gekomen zijn. Voor kinderen is dat levensdoel nog iets vanzelfsprekends. Het geeft ze de wilskracht om vol vertrouwen op weg te gaan door de wereld. Ons wikkend en wegend denken speelt ze nog geen parten. Het is te makkelijk om dat naïviteit te noemen. Je ziet aan kinderen een zekerheid af, die wij volwassenen zijn kwijt geraakt in het leven. Die levenshandleiding is voor kinderen een vanzelfsprekendheid, voor volwassenen is het een vermoeden geworden waar we makkelijk aan voorbij gaan.

Voor de 7-jarige Pierre Grosheintz schreef Rudolf Steiner in 1913 onderstaand Avondklokkengebed als een soort inhoudsopgave van de levensopdracht voor de mens. Voor de kleine Pierre dan nog eerder een bevestiging dan een opgave. Deze levensgids spreekt van het schone, het ware, het edele en het goede als maatstaf op de levensweg . Het verbindt het wereld-al met de zielengrond, verbindt toekomst en verleden; schenkt het zekerheid aan het heden – ook voor volwassenen.

Avondklokkengebed

Het schone bewonderen,
het ware behoeden,
het edele vereren,
het goede besluiten:
zij voeren de mens
in leven tot doelen,
in daden tot juistheid,
in voelen tot vrede,
in denken tot licht,
en leert hem vertrouwen
op goddelijke leiding
in al wat bestaat:
in wereld-al,
in zielengrond.

In de opera ‘Hänsel und Gretel’ van Engelbert Humperdink klinkt de ‘Abendsegen’. Pierre Grosheintz had het kunnen horen: ’s Avonds wil ik slapen gaan, veertien engelen om mij staan: twee om mijn hoofd, twee bij mijn voeten, twee aan mijn rechterzijde er, twee aan mijn linkerzijde, twee die me toedekken, twee die me wekken, twee die me wijzen, de weg ten paradijze.

Luister: